Opinie

Wie ruimt Trumps financiële troep op?

Maarten Schinkel

En zo is er plotseling toch Joe Biden. Sinds zijn overweldigende zege in South Carolina afgelopen weekend zit de vaart er bij hem goed in. Hij heeft inmiddels de steun van de afgehaakte Democratische kandidaten Bloomberg, Buttigieg en Klobuchar op zak. En op Super Tuesday haalde hij meer gedelegeerden binnen dan rivaal Bernie Sanders.

Wat voor economisch beleid is van Biden te verwachten? Zijn sterke comeback maakt die vraag relevant. Al te veel is daar niet over bekend, behalve dan dat het ‘gematigd’ zal zijn en waarschijnlijk president Trumps lastenverlichting voor de allerrijksten terugdraait. Maar oké, vergeleken bij Sanders’ program van radicale herverdeling is matigheid niet zo moeilijk.

Relevant is vooral waar Biden, naarmate de rivaliteit in het Democratische kamp oploopt, steeds meer van zal worden beschuldigd: schraalhans, hand op de knip, bezuinigen op de zwaksten. Zoals op Social Security, de schrale Amerikaanse variant van onze AOW.

Hier openbaart zich de tragiek van Democratische presidenten. Zij ruimen doorgaans de budgettaire puinhoop op van hun Republikeinse voorgangers. In 1993, zijn eerste regeerjaar, erfde de Democraat Bill Clinton een begrotingstekort van 4,9 procent van zijn Republikeinse voorganger George Bush (senior), mede veroorzaakt door de eerste Irak-oorlog. Clinton bereikte in 2000 een overschot van 1,6 procent. Hij liet een klein tekort van 0,5 procent achter, veroorzaakt door de dotcom-crisis, voor het eerste regeerjaar van zijn opvolger, de Republikein George W. Bush (junior).

Bush op zijn beurt veroorzaakte, mede door 9/11 en de oorlogen daarna, een begrotingstekort van meteen al 3,8 procent in 2002. Dat was, bij een flinke hoogconjunctuur in 2007, nog steeds 3 procent. De uitgangspositie voor de Lehman-crisis het jaar erna was dus al slecht, en het tekort liep op tot 6,6 procent. Toen de Democraat Barack Obama in 2009 begon met zijn regering, kampte hij met een geërfd tekort dat dat jaar liefst 13,2 procent bedroeg. Dank je, George.

Republikeinse presidenten maken er een puinhoop van. Democraten dweilen daarna

Het wordt eentonig, maar Obama wist dat enorme tekort terug te dringen, al bedroeg het nog steeds 4,5 procent toen zijn Republikeinse opvolger Donald Trump in 2017 met regeren begon. Het tekort voor 2020 wordt inmiddels op tegen de 6 procent geschat, aan het eind van de langste (en, toegegeven, meest matte) hoogconjunctuur in de Amerikaanse geschiedenis. De Amerikaanse staatsschuld bedraagt inmiddels 108 procent van het bbp.

Biden treft nu het verwijt als vicepresident te hebben deelgenomen aan een regering die na Lehman moest gaan bezuinigen. De beschuldigende vinger komt uit het Democratische kamp links van hem.

Is dat hypocriet? Zeker. Maar het haalt het niet bij de Republikeinen zelf. Mick Mulvaney was in de Obama-tijd de belangrijkste begrotingsman van de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden. Hij leidde destijds de shutdown caucus, een groep die het sluiten van de overheid afdwong toen onder Obama het begrotingstekort naar hun zin te hoog bleef.

Tegenwoordig is Mulvaney stafchef én begrotingsman van Donald Trump. Zo presideert de begrotingshavik nu over een begrotingspolitiek die als een van de meest lakse in de Amerikaanse geschiedenis mag worden bestempeld. Juist deze week riep hij op tot nóg meer belastingverlagingen.

Het mechanisme is bekend. Republikeinen verlagen de lasten, zien het begrotingstekort oplopen, en roepen vervolgens op tot bezuinigen op de overheidsuitgaven. Repeat. En zo wordt de staat, naar wens, steeds kleiner. Niet dat Biden zonder zonden is. Maar kan je hem verwijten dat hij destijds deel uitmaakte van een regering die de zoveelste puinhoop moest opdweilen? Zeker. In de voorverkiezingen mag álles.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.