Opinie

Uit de comfortzone

Wereldkunst #5 Melanie Bonajo vertegenwoordigt Nederland op de Biënnale van Venetië. Dat betekent eindelijk weer eens een risico.

Melanie Bonajo: Night Soil - Economy of Love, 2015, video.
Melanie Bonajo: Night Soil - Economy of Love, 2015, video. Courtesy the artist & AKINCI

Dit stuk gaat over ongemak – dat u het alvast weet. Het begon met het bericht van een kleine twee weken geleden, toen het Mondriaan Fonds bekendmaakte de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale van Venetië in 2021 eens helemaal anders te gaan aanpakken. De komende editie verruilt Nederland het eigen paviljoen in het hart van de Giardini voor de Chiesetta della Misericordia, een dertiende-eeuwse kerk in de stad. Het Rietveldpaviljoen zelf dragen we over aan Estland.

Estland!

De reden voor deze keuze was best goed. Zoals Fonds-directeur Eelco van der Lingen in deze krant verklaarde, was de uitverkiezingsprocedure de afgelopen jaren „een last” geworden (lees: benauwde kool en geit sparende keuzes – mijn interpretatie). Daarbij leek iedere deelnemer te worden lamgeslagen door de dwingende Rietveld-architectuur van het paviljoen, waardoor de Nederlandse inzendingen voortdurend bleven vastzitten in de traditie van het Hollandse modernisme.

Bovendien, aldus Van der Lingen, voelden ze bij het Fonds een toenemende mate van ongemak over het feit dat de verdeling van de Giardini-paviljoens nog steeds werd bepaald door de wereldorde van, zeg, 1950. Dat betekent: vooral paviljoens uit Europa, Amerika en Rusland, wat vleugjes Zuid-Amerika en Azië en precies één Arabisch land: Egypte. Geen China. Geen Afrika. Nieuwe landen die zich willen presenteren op dit hoofdpodium van het Eurovisie Songfestival van de kunst kunnen er niet meer bij, en blijven daardoor voor eeuwig veroordeeld tot de periferie – die huren een palazzo of een kerk in de stad waar iedereen verdwaalt, zoals Nederland nu vrijwillig óók gaat doen.

Jonge natie

Een genereuze geste dus, maar waarom Estland? De reden die Van der Lingen zelf gaf voor de specifieke keuze was nogal dun: Estland is „een jonge natie, en de kans dat zij ooit in de Giardini terecht zouden kunnen, is nihil” – dat kon je over héél veel landen zeggen. Ik dacht aan België, die fantastische jarentachtighit van Het Goede Doel, waarin de hoofdpersoon op zoek gaat naar de perfecte plek om te leven. Alleen: bij elk land dat in hem opkomt ziet hij een nadeel: „Ik wil niet naar Cuba, dat is me te zoet, ik kan niet naar Polen, daar gaat het te goed.” Zo komt hij uit op België, niet omdat het daar zo geweldig is, maar omdat hij er geen bezwaar tegen kan bedenken.

Eh-estland!

In mijn hoofd tekenden zich ondertussen de contouren af van een tirade tegen de onuitroeibare behoudzucht van de Nederlandse kunstwereld in het algemeen en die van het Mondriaan Fonds in het bijzonder. Goede geste jongens, maar weer volkomen kool en geit. Hallo, Estland ligt gewoon in Europa hoor! Als je een Baltische staat wilde helpen, waarom dan niet Litouwen, dat vorig jaar verraste met een spectaculaire presentatie in de periferie van de Venetiaanse periferie? Of waarom de eigen Nederlandse geschiedenis niet eens kritisch onderzocht en het paviljoen, bijvoorbeeld, met carte blanche en al aan Suriname gegeven? Of Indonesië – dat had misschien eindelijk eens geleid tot een confrontatie, van binnenuit, met het eigen (slavernij)verleden. Estland, dat was het perfecte symbool van de beperkte horizon van de Nederlandse kunstwereld, waar iedereen voortdurend belijdt dat we buiten onze eigen cultuur moeten kijken, ons eigen verleden kritisch moeten beschouwen, maar als het erop aankomt toch weer gewo…

Pling! Persbericht van het Mondriaan Fonds: „Melanie Bonajo Nederlandse inzending Biënnale van Venetië 2021.”

Epifanie

En ineens, jawel, had ik een epifanie-moment. De zon brak door, en even was het alsof er na jaren sappelen in de middelmatigheid een luik werd opengetrokken dat een lonkend uitzicht bood op nieuwe, spannende vergezichten – Anouk! Haar deelname aan het Eurovisie Songfestival in 2013 had een omslag betekend voor de Nederlandse populaire muziek, uitmondend in de overwinning vorig jaar – dat kon de keuze voor Bonajo ook betekenen. Net als bij Anouk lag de Bonajo-keuze eigenlijk voor de hand: wie een Nederlandse kunstenaar zoekt die internationaal aan de weg timmert, en wier werk aansluit op actuele thema’s kan bijna niet om haar heen.

Melanie Bonajo, Cruising (2019). C-print, 42,8×30 cm. Courtesy the artist & AKINCI

Maar iets anders is veel belangrijker: risico. Bonajo is namelijk óók onvoorspelbaar. Ze heeft een aantal van de beste Nederlandse kunstwerken van de afgelopen jaren op haar naam staan – zoals haar geweldige Night Soil I – Fake Pardise. Maar soms vliegt ze ook flink uit de bocht, met installaties die zo mudvol zitten met verwijzingen naar subculturen, gender-opeenstapelingen, hippies, kinderen, seks en escapisme dat nog maar weinig mensen er chocola van kunnen maken. Maar juist dat risico maakt haar werk zo spannend – en ineens bleek een semi-overheidsinstelling dus het lef te hebben gehad om het ongewisse te omarmen en een kunstenaar uit te kiezen die heel goed is, maar die ook best eens opzichtig zou kunnen falen. Het leek wel kunst!

Bovendien past Bonajo’s werk ook nog eens uitstekend bij de veranderende kijk op kunst. Ze is bepaald geen product van de aloude l’art-pour-l’art-traditie, maar streeft ernaar om met haar werk invloed op de maatschappij uit te oefenen. Haar installaties zijn, onder andere, pleidooien voor gendergelijkheid en seksuele openheid – en dus zitten ze vol beffende lesbiennes, drugsgebruik, subculturen en hysterische regenboog-trips.

Tegelijk zijn ze niet eendimensionaal: Bonajo vraagt zich óók af wat zulke vormen van subcultuur en escapisme voor het individu betekenen. En dat is weer extra fascinerend in een wereld waarin het tonen van seks en naakt weer discutabel is geworden – een blote Edgar Degas-mevrouw in het Van Gogh Museum kan alweer tot opschudding leiden, om over gendergelijkheid maar helemaal te zwijgen. Zo doet Bonajo’s werk wel precies wat goede kunst moet doen: het daagt de toeschouwer uit om de wereld met een nieuwe blik te bekijken én zet dilemma’s op scherp – wat buiten de kunst bepaald niet vanzelfsprekend is.

Bonajo zoekt die grens zelf ook op: zoals Sandra Smallenburg in deze krant terecht opmerkte, is het niet zonder risico haar ambitieuze presentatie te gaan tonen in een voormalige kerk, in dezelfde stad waar in 2005 een blote meisjes-installatie van Pipilotti Rist op de San Stae nog door de bisschop werd verboden.

Omslag

Dus zou de uitverkiezing van Bonajo zomaar een omslag kunnen betekenen. Want laten we eerlijk zijn: de Nederlandse kunstwereld, in het bijzonder de grotere musea, blinkt nog steeds niet uit in enthousiasme voor alles wat niet wit is, en modern-vertrouwd. Zeker, de meeste directeuren en curatoren belijden graag dat ze andere visies belangrijk vinden, maar in de praktijk gaat de omslag traag: kunstenaars van kleur bijvoorbeeld worden weliswaar steeds vaker getoond, maar vrijwel altijd in thematentoonstellingen over kleur. Waarom ze niet gewoon als kunstenaar gepresenteerd, liefst met een grote solo waardoor ze hun werk op volle kracht, op eigen merites kunnen presenteren?

Het tegenargument dat je daarbij vaak hoort is ‘dat het uiteindelijk toch om kwaliteit draait’ – terwijl de criteria voor kwaliteit natuurlijk volledig zijn gebaseerd op de traditie en daarmee altijd een bevestiging zijn van de bestaande norm. Dat is het punt: wie openstaat voor nieuwe ideeën, nieuwe perspectieven en ontwikkelingen zal de bestaande normen moeten bevragen – ja, ook jij. En ik. Er is namelijk een kunst de kamer binnengekomen die een andere achtergrond heeft dan het aloude witte, academische polderperspectief. Om daar begrip voor te krijgen, zal de klassieke Nederlandse kunstbeschouwer eerst het eigen kwaliteitsoordeel in twijfel moeten durven trekken.

Zeker, ik heb zelf ook lang gevonden dat het aanpassen van zulke criteria om niet-artistieke redenen een nogal vervelende vorm van politiek-correct denken was. En ik heb nog steeds een enorme hekel aan kunst die zich als een artistieke vorm van maatschappelijk werk opstelt – dat leidt altijd tot saaie, eenduidige kunstwerken die hun legitimiteit louter op hun engagement baseren. Met het verleggen van grenzen, het openbreken van normen is daarentegen niks mis – sterker nog, dat is de essentie van kunst. Goede kunst gaat altijd, al honderden jaren, over het zien van dingen die je niet kende, niet eerder had gedacht of gevoeld.

Zo bekeken zijn deze nieuwe invloeden een godsgeschenk, juist op het moment dat de traditionele westerse kunsttraditie steeds meer tekenen van uitgeblustheid begint te vertonen. Kijk maar, ineens krijgen we er een scala aan nieuwe kleuren bij, nieuwe ideeën, nieuwe vormen van sekse, die geweldige mogelijkheden bieden om de horizon te verbreden.

Even wennen

Natuurlijk, dit is even wennen. Het houvast van bestaande traditie wankelt, het onbekende klopt aan, het kijken naar kunst wordt weer een zoektocht waarbij je moet laveren tussen wat je al kende, wat je wilt behouden en wat er zich nieuw aandient. Ik vind dat een kans: op deze manier krijgen kunstenaars van kleur of niet-traditionele genders de mogelijkheid om buiten hun eigen kring gezien te worden, erkenning te krijgen, een plek te veroveren in een cultuur die te weinig aandacht voor ze heeft – en wordt de westerse kunstbeschouwer nog opnieuw uitgedaagd ook.

Nederland op de Biënnale 2021

De keuze voor Bonajo kan daarbij een eerste omslagpunt betekenen: een opmaat naar openheid, naar het kijken buiten de comfortzone. En daar is zoveel te halen. Zoals ik al schreef in een vorige aflevering van Wereldkunst zijn er nog zoveel mogelijkheden – welk groot Nederlands museum bijvoorbeeld geeft de geweldige Rotterdamse Ellen Gallagher eindelijk een solo? Daarbij mag ook wel weer plaats komen voor werken die vaak als politiek incorrect worden beschouwd, in de geest van Renzo Martens’ briljante Enjoy Poverty.

Hopelijk gaat die ontwikkeling zo snel dat er tijdens de Biënnale van 2023 weer eens ‘gewoon’ over die goeie ouwe Rietveld heen kan worden gewalst. Of, beter nog, dat Nederland de aanjager wordt van nóg actuelere discussies – bijvoorbeeld door, ik doe maar een gooi, als eerste te besluiten dit kunstcircus in die zinkende toeristenfuik voortaan helemaal te laten zitten. Hier valt nog een wereld te winnen.