Een ‘wereldwijde pandemie’, klopt dat?

Ewoud Sanders

Woordhoek

Voor mij klinkt wereldwijde pandemie dubbelop, voor u ook? Die vraag stelde ik onlangs op Twitter. Ruim 850 mensen reageerden daarop: voor ruim 88 procent klinkt het dubbelop, voor krap 12 procent niet.

Volgens de Dikke van Dale hebben de laatsten gelijk. Het definieert pandemie als een „zich over een geheel land of continent verbreidende ziekte”. Ook een ziekte die zich louter in Nederland voordoet, van Limburg tot Groningen, zou je volgens deze definitie dus een pandemie mogen noemen.

Opmerkelijk genoeg is op de site van het RIVM geen definitie van pandemie te vinden, maar volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is een pandemie een epidemie op wereldwijde schaal – waardoor de toevoeging wereldwijd dus overbodig wordt. Pandemie is gevormd uit de Griekse woorden pan (‘geheel’) en dêmos (‘mensen/volk’). Wij leenden het in de tweede helft van de negentiende eeuw via het Frans. In een van de vroegste bronnen wordt het een typisch „stadhuiswoord” genoemd.

Iets heel anders. Een francofiel heeft een voorliefde voor alles wat Frans is en een anglofiel voor alles wat Engels (Brits) is, maar hoe zit dat met de eurofiel? Het antwoord lijkt simpel: de eurofiel is een groot voorstander van Europa en de Europese eenwording.

Maar is dit woord de afgelopen jaren ook op die manier gebruikt? Zeker niet door iedereen. Vooral in rechtse kringen geldt eurofiel als een scheldwoord. Hier een paar voorbeelden uit PVV-debatten. Over de toenmalige minister Dijsselbloem, door de PVV cynisch ‘Mr. Euro’ genoemd: „Als deze minister eerlijk is, zegt hij [...]: Ik ben onervaren, door en door eurofiel, lid van de eurofiele PvdA en ik wil zo snel mogelijk Nederland opheffen.” En uit een Kamervraag van Wilders aan Rutte over oud-informateur Tjeenk Willink: „Deelt u mijn mening dat betrokkene hiermee heeft laten zien niet onpartijdig te zijn maar eurofiel en antidemocratisch?”

Zinnen als deze laten zien hoe de context de betekenis van een woord kan veranderen. Door een eurofiel te framen als een onervaren, partijdige tegenstander van de democratie, raakt deze aanduiding bezoedeld.

Dat kan vanzelfsprekend met heel veel woorden. Je kunt elite neutraal gebruiken (‘een kleine groep bevoorrechte mensen’), maar je kunt het makkelijk besmetten, zoals Rutte begin vorig jaar deed met zijn „witte wijn sippende Amsterdamse elite”. Dit in navolging van VVD’er Aartsen, die het had over de „chablis-drinkende elite in het Concertgebouw” – alsof het drinken van chablis en bezoek aan het Concertgebouw iets vunzigs is.

Het woord eurofiel heeft zich bij mijn weten langzaam in het Nederlands gevestigd. Ik vond het eenmalig in 1958, het jaar waarin de EEG werd opgericht. Sinds 1987 wordt het in NRC gebruikt. De eerste maal overigens al in een negatieve context: „Eurofielen kijken maar liever de andere kant uit wanneer de landbouwraad aan de orde wordt gesteld.” Lees: liefde voor Europa maakt blind. Sinds 2008 is het woord honderden keren gebruikt in ons parlement.

Pas de laatste tijd lijkt het zich duidelijker van zijn negatieve imago te ontdoen, ondanks alle eurofobe zwartmaakpogingen. Met de recente kop ‘Eurofiele anticorruptie-populist wint Slowaakse verkiezingen’ bedoelde NRC in ieder geval niets negatiefs. De winnende politicus houdt simpelweg van Europa, zoals een cinefiel van films en een bibliofiel van boeken.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.