Reportage

Een wandeling langs het kalksteen van Winterswijk

Van toen naar nu Een wandeling in etappes door Nederland en door de tijd. Aflevering twee: in de imposante steengroeve bij Winterswijk liggen de sporen van wat daar 240 miljoen jaar geleden leefde.

Foto Merlin Daleman

Meer dan wat donkere lijntjes in de kalk zijn het niet. Niet eens een afdruk van schubben, die je hier ook kunt vinden. Laat staan de snelle voetjes van een sauriër die langs de vloedlijn een prooi zocht. Maar die lijntjes, het patroon dat visjes met hun vinnen in het slib hebben getekend voordat het steen werd, zijn het onomstotelijke bewijs dat het hier 240 miljoen jaar geleden krioelde van het leven.

‘Hier’ is een steengroeve, een eiland, nee een ruimteschip van kalksteen – drie kilometer lang, één kilometer breed en veertig meter dik – dat even ten oosten van Winterswijk door het oppervlak breekt en dat ooit de bodem vormde van wat geologen nu de Muschelkalkzee noemen. In de lagunes van die binnenzee lieten zee- en landbeesten hun sporen achter in laagjes slib op slib op slib, die je in de groeve met een hamertje nu van elkaar kunt lostikken. Daar begint deze wandeling.

Winterswijk ligt 35 meter boven NAP; dan is het scenario van die paar meter zeespiegelstijging in de komende eeuwen niet bepaald groot denken. Want wat zijn die paar honderd jaar op de veertig miljoen waarin deze kalklaag zich heeft gevormd? En wat zijn die 240 miljoen jaar die ons van het Trias scheiden dan weer in vergelijking met de vier of vijf miljard jaar die de aarde oud is? Alles en iedereen komt hier nog maar net kijken.

Zulke gedachten krijg ik als Herman Winkelhorst het slot van de ketting heeft gehaald en voorgaat in deze groeve met on-Nederlandse proporties. Hij is geen geoloog van beroep, maar graaft hier al zijn halve leven. Lyrisch vertelt hij over de botten en vissenkaken die hij vond in ‘laag 9’. En de oudste pissebed ter wereld, in ‘laag 13’. Wat nog geen naam heeft, krijgt die alsnog. Zelf mocht hij de nothosaurus winkelhorsti dopen, een zwemmend reptiel. En saurichthys diannea, een spitssnuitvisje, vernoemd naar zijn vrouw. Bij Winkelhorst thuis ligt ook nog een coelacanth te wachten tot hij hem uit het steen bevrijdt, de vis-hagedis die ons in de tijd laat kijken „verder dan onze instrumenten reiken”, dichtte Gerrit Achterberg, „bij God op tafel”.

Van de verre wand echoot knarsen. Vroeger werd de kalksteen gedynamiteerd, nu knabbelen machines aan de wanden. De kalk van Winterswijk vindt al langer zijn weg naar akkers, tegen bodemverzuring, en nu ook naar fabrieken voor asfaltbeton. Hoe kun je leven met het idee dat een perfect geconserveerd skelet uit de schroothoop van de evolutie tevoorschijn komt en ongezien in de shredder verdwijnt?

„Natuurlijk denk je weleens: shit, dat hoekje waar ik wilde graven is nu weg”, zegt Winkelhorst. „Maar als ze zouden stoppen hebben wij ook geen vers materiaal meer.”

In de zomer, als de graafmachines even zwijgen, voert het Steengroevetheater hier drukbezochte opera’s op. Er zijn al geologische excursies, de bouw van een bezoekerscentrum is aanstaande.

En dan wil Winterswijk natuurlijk óók graag ‘de mooiste wandelgemeente van Nederland’ worden, waarvoor het dit jaar genomineerd is. Na een tijdje puzzelen op de kaart besluit ik te smokkelen en rijd ik eerst een stukje terug, richting Winterswijk, om ter hoogte van ‘Keuzepunt G78’ het ‘Wandelnetwerk Achterhoek’ te betreden – het is moeilijk om in Nederland te verdwalen.

Hier hebben weggetjes nog bochten, om de paar honderd meter staat een boerderij met een puntmuts.

Tegen de klok in loop ik een grote cirkel terug richting steengroeve, tussen maïsstoppels en beekjes met roestkleurig water. Buizen achter hekken in het bos, een knooppunt in het aardgasnet. Een merkwaardig idee dat dat gas nog net wat ouder is dan winkelhorsti. De weg, eerst baksteentjes, dan zand, scheert langs de Duitse grens, waar de vorst van Salm-Salm nog steeds bezit heeft aan twee zijden van de grens. Maar de grond héét hier naar de gewone mensen die hier altijd boerden: Klumpers, Knuivers. „Ik ga naar Hesselink” kan twee dingen betekenen. Langs de weg naar Vreden, Duitsland, verdwijnen zulke sporen onder zachtgroene golven. Daar heet de grond naar niemand meer en lopen mannen en vrouwen met golftassen.