Opinie

Sociale mobiliteit is de belangrijkste weg uit de ongelijkheid

Piketty

Commentaar

Een inkomstenbelasting tot 90 procent. Hoge vermogensbelastingen, die kunnen bijdragen aan een startkapitaal van 125.000 euro voor iedereen die 25 wordt. Een persoonlijk en fors onderwijsbudget. De helft van het bestuur van grotere bedrijven dat moet bestaan uit werknemers én een verbod om meer dan 10 procent van de aandelen van een onderneming te bezitten. Het recept van de Franse econoom Thomas Piketty voor het bestrijden van structurele ongelijkheid in de samenleving is radicaal.

De Fransman stelde in zijn eerste boek, Kapitaal in de 21e eeuw (2014), dat de huidige ongelijkheid in de westerse samenleving structureel zou toenemen. Omdat vermogen meer oplevert dan arbeid vergroot de vermogende burger zijn voorsprong op zijn werkende landgenoot automatisch. In zijn nieuwste, onlangs vertaalde, Kapitaal en Ideologie komt hij met oplossingen, bij voorkeur schoksgewijs.

De diagnose van de econoom is correct, al verschilt deze nogal van land tot land. In de Verenigde Staten is de ongelijkheid de afgelopen decennia fors gegroeid. In Nederland valt het juist mee. De belangrijkste maatstaf voor inkomensongelijkheid is al lange tijd onveranderd, en internationaal gezien laag. De vermogensongelijkheid is groter in Nederland, maar ook enige tijd – na de financiële crisis – vertekend door de combinatie van gedaalde woningprijzen en hoge hypotheekschulden.

Dat wil niet zeggen dat er geen ongelijkheid is. Het ondergraven van werknemersrechten en het dunnere sociale vangnet heeft in Europa gezorgd voor een ‘precariaat’ dat vaak een ongeluk verwijderd is van grote financiële problemen. En de sociale mobiliteit is veel kleiner dan voorheen. Dat kinderen het beter zullen hebben dan hun ouders, is geen automatisme meer.

Het antwoord hierop moet radicaal zijn, maar niet zozeer zoals Piketty dit voorstaat. In de kansen die een mens krijgt in de samenleving van vandaag tellen kennis en kunde. Een betere toegang tot onderwijs, beter onderwijs zelf en wellicht ook een langere leerweg zijn een betere oplossing. Daarbij gaat het er niet om elke jonge burger tot een academisch niveau te verheffen.

Piketty heeft een punt als hij vaststelt dat elke samenleving in elk tijdperk zijn eigen ideologische verklaring heeft voor die ongelijkheid die optreedt. Vandaag is niet anders. Wie gelooft in een meritocratische maatschappij te leven, zal concluderen dat mensen die maatschappelijk niet tot hun recht komen niet voldoende hebben gewoekerd met hun talenten. Dat veronderstelt een kansgelijkheid die er in de praktijk niet is, en een bereidheid om mee te gaan in de maatschappelijke rat race die nu eenmaal niet iedereen heeft.

Het bieden van hoogstaand onderwijs, inclusief een goede studiefinanciering en het bieden van de motivatie die niet iedereen van thuis meekrijgt, biedt hier een uitweg. Dat geldt ook voor de bereidheid beter te betalen voor maatschappelijk nuttig werk. Beleid dat hiervoor wordt gemaakt kenmerkt zich doorgaans door grote geleidelijkheid. Dat laatste verdraagt zich lastig met de maatschappelijke onvrede die steeds voelbaarder wordt.

Gewaardeerd en gerespecteerd worden is belangrijk voor een mens. Zelfontplooiing is essentieel, net als de wetenschap dat de weg naar boven bestaat, en geopend is voor wie dat wil. In die zin raakt Piketty het belangrijkste probleem van deze tijd: de rot in onze maatschappelijke ladder.