Dirk van Saene: ‘Instagram heeft de mode een beetje kapotgemaakt’

Interview De Vlaamse ontwerper Dirk Van Saene (61) viel de laatste jaren op met mode waarvoor hij de prints zelf schilderde. Zijn werk wordt steeds gevarieerder. „Ik merk dat ik nog iets te zeggen heb.”

Collectie voorjaar 2018
Collectie voorjaar 2018 Foto Dirk Van Saene

Het was nogal een verrassing toen in november de winnaar van de juryprijs van de Belgian Fashion Awards bekendgemaakt werd. De juryprijs geldt als de belangrijkste; prestigieuzer dan bijvoorbeeld Designer of the Year of Entrepeneur of the Year. Eerder ging de juryprijs naar Dries Van Noten en Raf Simons – bekende namen voor iedereen die maar een klein beetje bekend is met hedendaagse mode.

De elegante, slanke man die eind november in een breedgeschouderd zwart jasje van eigen ontwerp het podium in de Antwerpse Handelsbeurs opklom, is lang niet zo beroemd. Wie Van Saenes tijdloze en uitgesproken kleding – bijna uitsluitend voor vrouwen – wil dragen, kan maar bij een paar winkels terecht, en de afgelopen jaren ook niet elk seizoen. Soms had hij geen zin om een collectie te maken en sloeg hij een half jaar, een jaar of een paar jaar over. Dan wijdde hij zich aan keramiek: beelden in een licht-naïeve stijl.

Niettemin was het een goed moment om hem de prijs te geven, zegt Patrick Scallon, hoofd communicatie bij Dries Van Noten en voorzitter van de jury. „Veel jonge mode-ontwerpers proberen hun werk nu te integreren in een multi-disciplinaire aanpak. Dat doet Dirk al heel lang. Zijn kleding heeft een schilderachtige kwaliteit, en hij drukt zich net zo gemakkelijk uit in stof als in keramiek. Het is alsof de tijd Dirk heeft weten bij te benen, in plaats van andersom. Hij verdient het echt.”

Vrouwen, poezen, superman

Van Saenes mode viel de afgelopen jaren vooral op door de prints, waarvoor hij eerst zelf grote schilderijen maakte, die daarna op katoen of zijde werden gedrukt: vaak (meer dan) levensgrote portretten van vrouwen, poezen, Superman, in uitgesproken kleuren. Er is hem al verschillende keren gevraagd of hij de schilderijen niet ook wil verkopen of tentoonstellen, maar daar piekert hij niet over. „Ik heb ze gemaakt voor kleding, en daar zijn ze oké voor”, zegt hij bij een matige cappuccino („ Dat is nou jammer, hè”) in de beeldschone levensmiddelenwinkel annex restaurant Maison Plisson in Parijs. Hij is in de stad om zijn echtgenoot, mannenmode-ontwerper Walter Van Beirendonck, te helpen met zijn show. „Het was ook een manier om kleinere hoeveelheden stof te kunnen kopen. Als je zelf iets laat drukken, kun je per meter afnemen in plaats van per vijftig meter. Ik zou het pretentieus vinden om mijn schilderijen in een galerie te hangen, daar zijn ze niet goed genoeg voor. Het is geen kunst, hoogstens kunstig. Mode staat heel ver van kunst af.”

‘Modemensen die kunst gaan maken, ik kan dat niet verdragen. Ik denk dan: het zal wel niet zo goed gaan met de mode’

Hij trekt een gezicht: „Modemensen die kunst gaan maken, ik kan dat niet verdragen. Ik denk dan altijd: het zal wel niet zo goed gaan met de mode.” Evengoed heeft hij komend najaar zijn eerste echte galerie-expositie, in Antwerpen. „Met mijn keramiek, daar heb ik een heel ander gevoel bij. Mijn keramiek vind ik origineler dan mijn schilderijen. Ik ben daar vanaf het begin heel ambitieus mee geweest. Met keramiek kun je zulke mooie dingen doen, maar wat ik zag was vaak zo lelijk, van die geitenwollensokkige organische vormen met gekartelde randen.”

De Zes van Antwerpen

Voor zijn keramiek volgde hij een avondopleiding aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, de school waar hij zo’n dertig jaar eerder ook was afgestudeerd als modeontwerper, en waar hij, ook in de tijd dat hij er voor de tweede keer studeerde, alle masterstudenten mode begeleidt.

Als modeontwerper maakte Van Saene een vliegende start. Meteen na zijn afstuderen in 1981 opende hij een eigen winkeltje in Antwerpen, dat een paar jaar zou blijven bestaan. Twee jaar later won hij een belangrijke modewedstrijd, de niet meer bestaande Gouden Spoel, en werd hij door jurylid Jean Paul Gaultier gevraagd naar Parijs te komen om zijn assistent te worden. Een aanbod dat hij afsloeg omdat hij bij Van Beirendonck wilde blijven, met wie hij in 1977 een relatie had gekregen.

Collectie voorjaar 2020

Foto Ronald Stoops

Hij brak internationaal door toen hij zich in 1986 als een van de inmiddels legendarische Zes van Antwerpen presenteerde op de modebeurs in Londen – Van Beirendonck, Dries Van Noten en hij zijn de enigen die nu nog actief zijn in de mode. In 1990 gaf hij zijn eerste show in Parijs. Tien jaar later stopte hij daarmee. Niet alleen omdat hij genoeg had van de stress van het vaste moderitme. Twee volwaardige modehuizen en vier Parijse modeshows binnen een gezin bleek te veel van het goede, en hij was nou eenmaal minder bezeten dan Van Beirendonck. Van Saene is degene die het huishouden op zich neemt, hij staat van Beirendonck bij, zij het niet met ontwerpen. Hij bestierde de winkel die ze tot een paar jaar geleden samen hadden in Antwerpen.

„Ik heb ook wel fouten gemaakt”, zegt hij. „In het begin liet ik elke keer totaal iets anders zien. Dat kun je je helemaal niet permitteren, als klein modehuis. Mensen hadden geen idee waarvoor ik stond, daardoor heb ik de boot een beetje gemist. En ik deed extreme dingen, zoals een collectie helemaal van tule maken. De zaal zat vol bij de show, maar nul winkels kochten het in.”

Dat anderen uit De Zes – met name Ann Demeulemeester, Dries Van Noten en Dirk Bikkembergs – veel groter zijn geworden dan hij, heeft hem nooit dwars gezeten, zegt hij. „Ik ben totaal niet verbitterd. Ik voel mij goed met mijn kleinschalige, artisanale manier van werken. Het belangrijkste voor mij is dat ik mij kan uiten. Ik zou nooit voor een groot modehuis kunnen werken, al die mensen die op je vingers staan te kijken. Wat meer geld was wél fijn geweest. Van Walters werk worden we ook niet rijk, dat is veel te uitgesproken voor een groot publiek. Het is altijd vechten.”

Geen dessins meer

Als dit verhaal is gepubliceerd, is hij net 61 geworden. „Vreselijk”, zegt hij. „Bijna tijd om te stoppen.”

Het is niet te merken aan zijn werk. Zijn collecties worden de laatste seizoenen steeds een beetje uitgebreider en gevarieerder. De grote ‘schilderijen’ is hij „een beetje beu geworden” en hebben plaatsgemaakt voor kleinere, eveneens handgeschilderde dessins en trompe-l’oeils – een rok van zijde met een print van een gebleekte spijkerrok, leggings met een geschilderde print van een been dat smaller is dan het kledingstuk. Hij heeft accessoires toegevoegd, zoals een leren tas in de vorm van een grote hand.

Zijn collectie voor najaar 2020 zal hij voor het eerst niet presenteren tijdens de mannenmodeweek in de kelder van de galerie waar Van Beirendonck na de show zijn collectie verkoopt, maar solo, tijdens de vrouwenmodeweek, zodat hij ook gezien kan worden door winkeliers die geen mannenkleding verkopen. Voor het eerst zal hij helemaal geen dessins gebruiken, maar zich helemaal richten op vorm.

„Ik merk gewoon dat ik nog iets te zeggen heb,” zegt hij. „Als ik om me heen kijk naar wat anderen doen, mis ik goede ideeën, diepgang – ook bij mijn studenten. Ik kan geen aanstormend talent bedenken dat mij werkelijk verrast. Ik denk dat Instagram de mode een beetje kapot heeft gemaakt. Iedereen ziet alles meteen, er is geen mysterie meer, geen spanning. Kleding wordt er speciaal voor ontworpen. Het is daarom allemaal in your face. Ik vind het niet zo intelligent.”

Zelf heeft Van Saene nog altijd geen Instagram- of Facebookaccount; op zijn website staat alleen een keramiekproject. Wel heeft hij ter gelegenheid van zijn presentatie in Parijs een krant laten drukken met een overzicht van zijn werk tot nu toe, die wordt verstuurd als uitnodiging. „Ik wil laten zien: ‘Dit is wie ik ben en wat ik heb gedaan.’ En dan zien we wel weer, hè.”