Reportage

Wanneer zelfs het leger de plaag niet meer aankan

Oost-Afrika De eerste generatie sprinkhanen is dood, maar er komen er veel en veel meer. Zelfs het leger lijkt de strijd niet aan te kunnen.

Een vrijwilliger gaat bij Isiolo net uitgekomen sprinkhanen met gif te lijf. Uit de eitjes die vorige maand zijn gelegd, zijn miljoenen nieuwe beestjes gekomen.
Een vrijwilliger gaat bij Isiolo net uitgekomen sprinkhanen met gif te lijf. Uit de eitjes die vorige maand zijn gelegd, zijn miljoenen nieuwe beestjes gekomen. Foto’s TONY KARUMBA / AFP

De net uitgebroede woestijnsprinkhanen wriemelen zich uit de grond, formeren zich in slagorde en beginnen te marcheren. Zij zijn de eerste die in Kenia werden geboren. Sommige lopen nog uit de pas. Ze zijn jong en speels proberen ze elkaars blaadjes af te pakken. Ze zijn zwart en nog geen centimeter groot, één tiende van hun over ruim een maand bereikte volwassen lengte.

De twee maanden geleden begonnen sprinkhanenplaag in Oost-Afrika neemt steeds grotere vormen aan, waarschuwt de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN. Door hun razendsnelle voortplanting zullen er over vier maanden mogelijk vijfhonderd keer zo veel van de vraatzuchtige beestjes zijn – ze eten per dag hun eigen gewicht van 2 à 3 gram. Ze verspreiden zich razendsnel over het continent. Inmiddels zijn er ook zwermen in Noord-Oeganda, Zuid-Soedan en zelfs in het noorden van Congo.

De stilte achter de bergen bij de Noord-Keniaanse stad Isiolo wordt wreed verstoord door een net opgestarte besproeimachine. Vanachter hun bureaus vandaan geplukte ambtenaren van het Ministerie van Landbouw hebben zich in overalls gestoken. Met de pomp op de rug en de lange spuit in de aanslag gaan ze in de aanval.

Het ritselt op de grond als de wolkjes gif neerdalen op de jonge woestijnsprinkhanen, die alle kanten uitvluchten. Julius Likaru, leider van de uitroeiingseenheid, toont zich optimistisch. „Let maar op, straks zijn ze allemaal dood.” Het gif werkt op hun ademhalingssysteem en tienduizenden beestjes tollen dwaas in het rond, om vervolgens dood neer te vallen. Julius is tevreden.

Maar als hij terugloopt om gif bij te vullen ziet hij, daar waar zojuist is gesproeid, nieuwe horden aanmarcheren, kruipend over de lijken van de andere.

„Dit heeft geen effect”, verzucht een uitgeputte besproeier. „Die beestje lachen ons uit. Ze blijven komen, het zijn net soldaten, ik begrijp niet waar ze steeds weer vandaan komen.” Ligt het aan het gif of aan hun overmacht? „Het gif dood alles”, vertelt een andere be sproeier. „Bijen, termieten, mieren. Maar er zijn simpelweg te veel woestijnsprinkhanen.”

Met zijn herdersstok op de schouder komt Abdi Ahmed over de boomsavanne aanwandelen. Hij bestudeert het zwarte tapijt beestjes. „Laat ze toch met rust”, gebaart hij naar het besproeiingsteam. „Ze brengen geluk, want ze brengen regen. We zijn allen schepselen van God.”

Sprinkhanenplaag breidt zich razendsnel uit

Nieuwe fase

De sprinkhanenplaag in Oost-Afrika is een volgende fase ingegaan. De eerste generatie is inmiddels uitgestorven, maar de nieuwe generatie staat alweer te trappelen – en is vele malen groter dan de vorige. Nog steeds is de overheid aan de verliezende hand. „We hebben te laat de ernst ingezien”, gaf de Keniaanse minister van Landbouw Peter Munya onlangs toe. „We hebben een tekort aan bestrijdingsmiddelen.”

Ze kwamen eind vorig jaar uit Ethiopië en Somalië Noord-Kenia binnen. Aanvankelijk verspreidden ze zich bijna overal ongehinderd over het droge noorden, om vervolgens landbouwgebieden in de hooglanden binnen te dringen. Eenmaal volwassen legden de gele beestjes eitjes en stierven, om te worden opgevolgd door een veel talrijker nageslacht. Eén sprinkhaan legt tussen de vijftig en honderd eitjes.

Het weer zit de woestijnsprinkhanen mee. Ongebruikelijke regenval in de woestijnen van Saoedi-Arabië eind 2018 leidde tot de vorming van de zwermen. In het regenseizoen eind 2019 in Kenia viel vier keer meer regen dan normaal. En nog steeds regent het. Daar waar rond deze tijd doorgaans stofwinden over het barre land trekken, ligt nu een groen tapijt. Zandvlaktes ogen plots vriendelijk vruchtbaar. Afval langs de kant van de wegen is opgeslokt door woekerende struiken. Met de hoge temperaturen levert deze vochtigheid een ideale situatie voor allerlei soort ongedierte.

Ten noorden van Isiolo rukken de volgende dag het leger en de burgerwacht uit voor de besproeiing. „Een soldaat laat zich door geen overmacht verslaan”, verkondigt majoor Odondo heldhaftig aan het begin van de operatie. Zijn vijand vandaag is nauwelijks drie weken geleden uit de grond gekropen, is geelkleurig, heeft nog geen harde huid en vleugels. Over een week zullen ze opstijgen, dit is de laatste kans ze op de grond te vernietigen.

Met militaire precisie trekken Odondo’s mannen een cirkel van een paar honderd meter om de beestjes. Het dodental ligt veel hoger dan de vorige dag. Maar de besproeiers hebben hun hielen nog niet gelicht of een andere massa komt aanmarcheren.

Adamson Langasunya, parlementslid van het deelstaatparlement, kijkt sceptisch toe. „We zijn blij dat nu het leger wordt ingeschakeld. Maar de hoeveelheid woestijnsprinkhanen is te overweldigend. Dit is het enige team dat actief is in deze regio en het bestrijdt alleen de zwermen langs de wegen, terwijl de meeste beestjes zich ophouden in moeilijk toegankelijke gebieden.”

Sinds in januari de invasie in deze regio begon wist het ministerie van de deelstaat Samburu 15 van de 43 zwermen uit te roeien. Nu zijn er alweer 34 zwermen. „Ze vermenigvuldigen zich sneller dan dat wij onze logistiek op poten weten te zetten”, verzucht Langasunya. „De eerste ronde hebben we verloren”, beaamt Salad Tutana, hoofd van het Ministerie van Landbouw in de deelstaat Isiolo. „Hadden we drie weken geleden effectief gereageerd, dan waren we nu niet in deze situatie beland.”

Uit de eitjes die vorige maand zijn gelegd, zijn miljoenen nieuwe beestjes geboren. Foto TONY KARUMBA / AFP