Vorig jaar minder traditionele criminaliteit, meer cybercrime

Veiligheidsmonitor Steeds minder Nederlanders zeggen slachtoffer te zijn van geweld, inbraak, diefstal en andere vormen van traditionele criminaliteit.
Deelnemers tijdens een hackevenement van de internationale cybersecurity conferentie One Conference in het World Forum Den Haag.
Deelnemers tijdens een hackevenement van de internationale cybersecurity conferentie One Conference in het World Forum Den Haag. Foto Koen van Weel/ANP

Steeds minder Nederlanders worden slachtoffer van geweld, inbraak, diefstal en andere vormen van traditionele criminaliteit. Cybercrime komt daarentegen vaker voor. Dat blijkt maandag uit de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Vorig jaar zei bijna 14 procent van de Nederlanders slachtoffer te zijn geworden van geweldsdelicten, inbraak, diefstal of vandalisme. In 2017 lag dat percentage nog op 15 procent en in 2012 op 20 procent. Ook de politie registreerde minder gevallen van diefstal, geweld en vernieling. Overigens daalden niet alle vormen van diefstal. Zo werden vorig jaar 1.800 winkeldiefstallen meer geregistreerd dan een jaar ervoor. Ook nam het aantal meldingen van vernieling en beschadiging voor het eerst sinds 2012 toe.

Het aantal mensen dat zegt slachtoffer te zijn geworden van cybercrime is de afgelopen jaren licht gestegen. Vorig jaar zei 13 procent slachtoffer te zijn, in 2017 was dit 11 procent en in 2012 12 procent. Het gaat dan om identiteitsfraude, koop- en verkoopfraude, hacken en cyberpesten. De politie registreert dit onder vermogensmisdrijven en in deze cijfers is hier sinds 2017 een flinke toename te zien. Zo is het aantal meldingen van hacken verdubbeld.

Steeds minder slachtoffers van traditionele criminaliteit doen hiervan melding bij de politie. In 2012 werd 38 procent van de delicten gemeld, vorig jaar gebeurde dit in 32 procent van de gevallen. Ook de aangiftebereidheid nam in deze jaren af van 29 procent naar 23 procent.