Opinie

Het moderne kantoor hoeft echt geen open inrichting te zijn

Kantoortuin

Commentaar

Wie maar een beetje gevoel heeft voor de hoek waar de wind uit waait, voelt aan dat de kantoortuin zijn langste tijd heeft gehad. Het tv-programma De Monitor gaf onlangs een schokkende rondleiding langs inrichters, vormgevers en kenners van mens, geest en arbeid. Conclusie: in grote, open werkruimtes hebben mensen last van stress, lawaai en concentratieverlies. Verzuim, overspanning en gebrekkige productiviteit zijn het resultaat.

Lees ook Noise-cancelling reduceert de ander tot ruis

Blootstelling aan de kantoortuin moet dus binnenkort wel opgenomen worden op de lijst gevaarlijke stoffen, leek de conclusie. Werknemers die zélf maatregelen namen zijn nu al makkelijk te herkennen. Ze dragen geavanceerde koptelefoons, met ‘antigeluid’. Contact kan alleen door zwaaien binnen hun blikrichting. Zij ontwaken dan op slag, als de enig geconcentreerde in de verder open inrichting.

De vergelijking met het ‘sick building syndrome’, een term die in 1984 door de WHO werd gemunt, dringt zich op. Toen bleek een derde van alle kantoorgebouwen zo slecht geventileerd dat de werkers van toen, hoewel in eigen gesloten ruimtes, toch groepsgewijs prikkelbaar, vermoeid en duizelig werden. De grote, open werkruimte leek een oplossing. Die kreeg vervolgens de wind in de zeilen doordat communicatie, transparantie en vooral ‘teamwork’ aan belang wonnen. Ook managers schoven hoopvol aan op de werkvloer. Extra plusje: nooit meer ‘afstand’. Tel daar de digitalisering bij op, de constante bereikbaarheid van iedereen, het vervagen van de grenzen tussen werk en privétijd. En alle bezwaren om het kantoor te collectiviseren verdampten. In de nieuwe open omgeving zou contact sneller tot stand komen, samenwerking en creativiteit makkelijker zijn. Groepsgevoel werd belangrijker – de ‘millennial’ zou zeker nooit in werkkamertjes kunnen gedijen, was het idee. Hún kantoor is waar internet is. Dat Google, Facebook en Pixar in grote kantoortuinen worden bestierd is geen toeval. Het is een technologische cultuur waarin delen belangrijk is – open space dus open source.

Grote ruimten zijn bovendien goedkoop in te richten, zeker als werkplekken op dagbasis flexibel bezet worden. Ook hier speelt technologie mee. Werkprocessen zijn gedigitaliseerd, met opslag in de cloud en vergaderen via videolink. Dat leverde de mobiele werknemer op die ‘aanlegt’ waar het werk hem brengt – bij de klant, thuis, of ‘op kantoor’. Dat zijn dan vooral vergaderplekken, waar je ook ‘ergens’ solo moet kunnen werken. Zo bezien is de kantoortuin op z’n meest doelmatig als tussenstation, een werk- en vergaderhub voor de ambulante werker.

Lees ook: Hallo werkgevers, wanneer gaan we stoppen met de kantoortuin?

Maar helaas werkt dat lang niet overal zo. Hoe flexibel en gedigitaliseerd werk inhoudelijk ook is geworden, velen zitten iedere dag toch op dezelfde plek. En daar hebben ze iedere dag last van andermans lawaai en rommel, van gebrek aan controle over de omgeving (licht, lucht, temperatuur), van bezettingspieken en -dalen, van afleiding. De kantoortuin verandert dan in de hel waar ‘de ander’, die van Sartre, de sfeer bepaalt.

De beste werkomgeving is er dan ook één waar echte keuze is, echte flexibiliteit en vooral voldoende capaciteit. Waar niet alleen grote, open flexplekken zijn, maar ook voldoende besloten werkkamers. Waar ook 2, 3, 4 of 5-mans indelingen te vinden zijn. Waar ‘kantoortuin’ ook betekent dat er planten staan en klimaat en akoestiek op orde zijn.

Zo moeilijk hoeft het niet te zijn: de ideale werkomgeving is een hybride en biedt een keuzemenu.