Recensie

Recensie Beeldende kunst

De naakte vrouw-wezens, van Joop Moesman

Expositie De surrealist Joop Moesman telde internationaal mee, maar hij had een seksistisch wereldbeeld. Het Centraal Museum rehabiliteert hem.

Oink (They Shall Behold Thine Eyes) (1959) van Leonora Carrington.
Oink (They Shall Behold Thine Eyes) (1959) van Leonora Carrington. Beelden Peggy Guggenheim Collection Venice/Centraal Museum Utrecht/ Ernst Moritz/Stevenson Gallery

Iedereen vond Joop Moesman een viezerik. Dat was zo in de jaren dertig, en dat geldt eigenlijk nog steeds – en daar wil het Centraal Museum in Utrecht nu verandering in brengen met De tranen van Eros, een grote tentoonstelling met Moesman en meer. Dat het museum streeft naar rehabilitatie is begrijpelijk: de surrealist Moesman (1909-1988) is naast Gerrit Rietveld – zijn bijna-perfecte tegenpool – een van de weinige Utrechtse kunstenaars die internationaal (enigszins) meetelt. Moesmans claim to fame is het feit dat André Breton, de godfather van het surrealisme, hem in 1961 als enige Nederlander ooit toeliet tot een ‘officiële’ surrealistische tentoonstelling. Maar dat maakt rehabilitatie niet per se eenvoudig. Allereerst ligt het surrealisme in het diep-calvinistisch Nederland nog steeds ingewikkeld. Het geldt hier als een stroming voor beginners: als jonge en/of onervaren kunstkijker val je eerst voor het surrealisme (bij mij: Dalí’s Heilige Antonius, de knielende heilige voor een groep olifanten op muggenpoten) want dat laat zo verleidelijk zien hoe in de kunst grenzen worden verlegd en nieuwe horizonnen worden geopend. Maar daarna trekken de meesten snel verder. Want het surrealisme is óók, en misschien wel vooral, ambachtelijkheid en inhoudelijk vrijblijvendheid.

En daar komt nog bij dat de meeste surrealisten onvervalste seksisten waren, waar je tegenwoordig niet graag mee wordt geassocieerd. Dat wordt in De tranen van Eros mooi geïllustreerd door de openingsvideo A man and a woman make love (2012) van de Ierse kunstenaar Gerard Byrne, die een historische bijeenkomst van surrealisten laat naspelen. Daaruit blijken de Bretons en de Tanguys zichzelf heel ‘verlicht’ en onburgerlijk te vinden, maar spuien ze ondertussen wél het ene klassiek-misogyne standpunt over homoseksuelen en vrouwen na het andere – wat wel weer perfect aansluit bij het wereldbeeld van Moesman. Die schilderde het liefst vrouwen, of beter: naakte vrouw-wezens die allemaal zijn vervormd of verwrongen en vooral niet worden geacht een persoonlijkheid te etaleren. Geen mensen, eerder objecten van een complexe vorm van fetisjisme dan wezens van vlees en bloed.

Veel succes met je rehabilitatie, denk je dan.

Lees ook: Wim Pijbes over een visueel raadsel

Middenklasse

Toch slaagt de tentoonstelling daar beter in dan je zou verwachten. Allereerst werpt het museum een verleidelijke tentoonstellingsinrichting in de strijd, met grote ronde doorkijkgaten in de wanden en verschillend gekleurde zones (waarvan Moesman, daglichtliefhebber, overigens gegruwd zou hebben) die de toeschouwer al enigszins in een ‘surrealistische’ sfeer brengen. Ook plaatst de tentoonstelling Moesman slim in de context van het internationale surrealisme. Slim, doordat grote surrealisten als Magritte, Dalí en Ernst allemaal aanwezig zijn, maar wel steeds met één schilderij, waardoor ze niet de kans krijgen Moesman te overvleugelen. Ook wordt er een stevige parade van andere surrealisten opgetrommeld (soms heel goed, zoals Man Ray of Hans Bellmer, soms duidelijk minder). Daar hangen de Moesman-doeken tussendoor, waardoor het veel minder opvalt dat zijn oeuvre wel erg eenvormig is (heel veel lichaamsdelen in bijna lege landschappen). Nu dobbert Moesman lekker mee in het middenklassesurrealisme, en daar is hij prima op zijn plaats.

Onterecht op het tweede plan

De interessantste trouvaille is echter dat De Tranen van Eros, naast een Moesman-overzicht, óók wordt gepresenteerd als een rehabilitatie van de vrouwelijke surrealistische traditie – helemaal in de geest van de huidige vernieuwde aandacht voor miskende vrouwelijke kunstenaars uit het verleden. Daar is veel voor te zeggen: Leonora Carrington en Dorothea Tanning bijvoorbeeld waren overtuigende en krachtige surrealisten (zoals de grote Tanning-show in Tate Modern onlangs nog liet zien) die inderdaad door de geschiedenis onterecht op het tweede plan zijn gehouden. Daardoor is het wel weer jammer dat die vrouwenrehabilitatie in Utrecht slechts voor een deel wordt gesteund door de kwaliteit van het werk. Zo hangt er een hele mooie Leonora Carrington, Viviane Sassen maakt een geweldige nieuwe ‘muur-foto’ en de keuze voor Sarah Lucas is onverwacht maar uitstekend, maar de Dorothea Tannings zijn allemaal matig tot tweederangs – daar had wel wat scherper gekozen mogen worden.

Toch ontstaat er, door die opvallende keuze om Moesman te combineren met de surrealistische vrouwen, een interessante inhoudelijke spanning – want het is wel héél ironisch om juist vrouwenemancipatie te gebruiken voor Moesman-rehabilitatie. Maar die ongerijmdheid maakt de tentoonstelling ook weer actueel – het geheel roept veel vragen op. Wat dreef sterke, intelligente vrouwen als Tanning en Carrington om zich bij deze club aan te sluiten? Wat zegt hun deelname in retrospectief over de surrealistische beweging als geheel? En hoe verhield het onderbewustzijn en de seksualiteit die de surrealisten in hun werk predikten zich met de lasten en de lusten van de echte wereld?

Het valt het Centraal Museum niet te verwijten dat ze hierbij hun kop in het zand steken – niet voor niets opent de tentoonstelling met de Byrne-installatie, die de mannelijke surrealisten onmiskenbaar kritisch bekijkt. Alleen voel je óók dat het Centraal, net zoals bijna alle musea bij dit soort ingewikkelde historische tentoonstellingen, de neiging heeft de complexiteit wat onder het tapijt te schuiven, ongetwijfeld omdat ze bang zijn toeschouwers af te schrikken. Dat is begrijpelijk, maar ook jammer, want juist in de complexe wrijving tussen deze werken en deze kunstenaars onderling overstijgt deze tentoonstelling de tijd en gaat het ineens over onderwerpen als instinct, macht, groepsdruk en het onderdrukken van seksualiteit – allemaal hoogst actueel. Daar was meer te halen geweest, maar toch: ga vooral kijken.

De tranen van Eros. T/m 24 mei in het Centraal Museum, Utrecht. centraalmuseum.nl