Alles is nog precies zoals het was

Vanuit de Verenigde Staten schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: op bezoek bij haar moeder, suppoost van het verleden.
Illustratie Eliane Gerrits

‘Mam, ik kom volgende week naar je toe”, zeg ik, „en ik blijf een nachtje slapen.” „Oh, wat heerlijk”, zegt ze. Het schuldgevoel knaagt nog harder dan gewoonlijk. Ik zie haar veel te weinig. Daarbij, ik kom niet speciaal voor haar over. Ik kom onze dochter helpen verhuizen. En de week slibt al aardig vol met afspraken. Mijn moeder krijgt de restjes van mijn tijd.

Maar klagen is niet haar stijl. Bovendien is ze gewend me weinig te zien. Eerst kon ik niet vaak komen omdat ik studeerde, toen omdat ik verliefd was, daarna druk met werk, vervolgens zat ik in de kleine kinderen, en nu woon ik ver weg.

„Zullen we samen naar de supermarkt gaan?”, vraagt ze als we een boterhammetje hebben gegeten. Een boodschappenlijstje hoeft niet, ze heeft alles in haar hoofd. Sinds ze ziek is geweest, loopt ze moeilijk. Ze gebruikt de boodschappenkar als rollator en begint hem vol te laden. Twee broden. Een dozijn eieren, een paar stukken kaas. Een schenkel. Grote bossen prei, uien, knolselderij, bospeen.

„Zo”, zegt ze, „straks ga ik een grote pan soep maken.”

Mijn moeder doet als vanouds boodschappen voor ons allemaal. Voor het gezin dat we waren. Ooit, steeds langer geleden. Mijn vader die elke dag om zes uur terugkwam van zijn werk en in de pan keek wat ze had gekookt. Haar drie kinderen die hongerig uit school in de keuken bleven hangen. De stroom vriendjes en vriendinnetjes, buurtkinderen, tantes en neefjes die meeaten.

Mijn vader is alweer acht jaar dood, mijn broers en ik al jaren het huis uit.

Thuis verdeelt ze alles in porties en legt die in de vriezer. Steeds twee sneetjes brood bij elkaar. „Die haal ik er ’s avonds uit. Dan heb ik lekker vers brood bij het ontbijt.”

Ze kan een flinke tijd vooruit, dat is een geruststellend idee. Dan gaat ze groente snijden. De pan water met het soepvlees pruttelt op het vuur. Ze glimt als ik hongerig op de geur van weleer afkom.

„Je bed is opgemaakt”, zegt ze tegen de avond. „Je blauwe pyjama ligt onder het hoofdkussen.”

Alles in huis is nog zoals het altijd was. De slaapkamers van mijn broers en die van mij. Mijn bed, de wastafel met de koudwaterkraan. Op de vensterbank de ster van kraaltjes die ik knutselde toen ik zes was. In de gangkast fotoboeken, dozen met dia’s en onze schoolrapporten. De gondel met lichtjes die we op vakantie in Italië kochten. Vazen die ze cadeau kreeg. Jampotjes die ze vult met gelei van druiven uit de tuin.

„Wil je al die roeitijdschriften bewaren?”, vraag ik de volgende ochtend. „Natuurlijk”, zegt ze. „Er staan foto’s in van de tochten over het water die ik met papa maakte.”

Ik kijk hoe ze met haar stok door het huis scharrelt. „Ik weet precies waar alles ligt”, zegt ze. Ik twijfel er geen minuut aan.

Mijn moeder is de suppoost in het museum van ons gezin. Uiterst zorgvuldig bewaakt ze ons verleden. Gelukkig maar.

Reacties naar pdejong@ias.edu