Opinie

Tweets opvissen uit de vox-pop-vijver vraagt ook om journalistieke verificatie

De ombudsman

Het was de enige tweet-onder-naam die het een beetje voor de politicus opnam, in het artikel over de anti-Marokkanen-noodkreet van het medium Baudet. „Gaan we nou met z’n allen doen of ‘lichtgetinte’ Marokkanen nooit overlast veroorzaken?”, luidde de bozige tweet.

Die werd geciteerd in een Achterpagina-overzicht van gevatte Twitter-reacties op het dierbarevriendinnenincident in de trein dat geen incident bleek.

Complicatie: een andere lezer met dezelfde naam (of was hij het toch?) klaagde dat hij nu werd aangesproken op die tweet. Een tikje erger, het Google-spook stak de kop op: „Bovendien is het zo dat dit artikel nu als eerste hit naar boven komt als u zoekt op mijn naam.” Kortom, kon zijn naam niet verwijderd worden?

In eerste instantie kreeg hij nul op rekest: zoiets kan gebeuren, was het argument, er lopen nu eenmaal meer mensen rond met dezelfde naam in deze imperfecte wereld. Dat geldt net zo goed voor mensen die met de vox-pop-pomp worden afgetapt op de Albert Cuyp. Jammer, maar helaas.

Dat is natuurlijk zo; persoonsverwarringen zijn in de journalistiek al zo oud als de weg naar Gutenberg. Ik ben zelf in de loop van dertig jaar geregeld verward met een naamgenoot die als eindredacteur werkt voor uitgeverijen. Complimenten over mijn – dat wil zeggen zijn – beheersing van Slavische talen of deskundige duiding van de Pravda laat ik me nog altijd graag aanleunen.

Het is mede de reden dat bij NRC een verbod geldt op het gebruik van verzonnen namen om de privacy van bronnen te beschermen. Je zult zien, er is altijd wel een ander die echt zo heet.

Maar toch ging het hier iets te snel. Twitter is immers, nog meer dan de Albert Cuyp, een vergaarbak van lollige pseudoniemen als ‘opgewondenstandje2020’, trollen en bots. Hoe weet je zeker wie daar is wie (of wat) hij zegt dat hij is? Stelt het gebruik ervan als digitale marktplaats van meningen geen nieuwe eisen aan verificatie en bronvermelding?

Natuurlijk is het altijd verleidelijk om de subcultuur van Twitter af te grazen – en met goede reden, want het medium is niet alleen een schutting voor iedereen die met een snerpend krijtje zijn slag wil slaan, maar ook een rijke bron van informatie en van stemmen die elders niet klinken.

Trouwens, pseudoniemen zouden daarbij wel eens onvermijdelijk kunnen zijn – simpelweg omdat niet iedereen in de comfortabele positie is zich zonder gevaar voor repercussies onder eigen naam uit te spreken. Niet iedereen is Trump – tribuun van het schoolplein die gretig alle uithoeken van het sadistische universum in 180 tekens verkent.

En dan zijn er nog de trollen of bots, zoals die van het Russische Internet Research Agency (IRA), gebruikt om aantallen volgers op te stuwen en propaganda of desinformatie te verspreiden. Ja, dat gebeurt ook in Nederland: Reinier Kist en Rik Wassens deden in NRC onthullend onderzoek naar het werk van de „trollenfabriek”.

Ook dat moet consequenties hebben voor het snelle gebruik van Twitter als een vox-pop-vijver waaruit wat fijne citaten worden opgevist. Om te beginnen moet je een beetje gevoel hebben voor de mores van het medium; zo was in dat stukje over Baudet een „parodie-account” gelukkig nog wel herkend: iemand die zich voordeed als Ajax-trainer.

En verder? Een eerste check is natuurlijk die van Twitter zelf. Het bedrijf verifieert accounts van publieke figuren, te herkennen aan een blauw vinkje bij de naam. Zo weten we – afgezien van de eigen verbale artillerie-stijl – dat het bij @realDonaldTrump echt gaat om de man in het Witte Huis.

Om ‘gewone’ accounts te verifiëren, zal de journalist zelf actie moeten ondernemen: een bericht sturen aan de afzender, gegevens elders checken of een ‘bot-o-meter’ gebruiken, software om te achterhalen of achter een mens een computer schuilt.

Dat blijft lastig. Wassens vertelt me dat hij met Kist accounts wel eens door zo’n bot-o-meter haalde, maar dat het voor buitenstaanders vrijwel onmogelijk is definitief vast te stellen dat een account geautomatiseerd is (wat ook nog niet hetzelfde is als trollen oftewel ‘kwaadwillende automatisering’). Zijn onderzoek was mogelijk omdat Twitter zelf (met IP-adressen, tijdzones en andere metadata) en de Amerikaanse federale overheid allerlei accounts al hadden geïdentificeerd als gelieerd aan het Russische IRA.

In het meer alledaagse journalistieke handwerk is het hoe dan ook aan te bevelen een slag om de arm te houden bij het snel even strooien met een handvol tweets. De oplossing die de krant in tweede instantie koos bij de klagende naamgenoot: de gebruikersnaam werd in de online versie van het stuk vervangen door de accountnaam, „om verwarring over identiteit te voorkomen”.

Ja, zo kun je het doen – al zou het mijn voorkeur hebben naast de accountnaam ook de gebruikersnaam te vermelden. Zet die eventueel, bij twijfel, tussen aanhalingstekens of omschrijf het als ‘een twitteraar die zich zus-en-zo noemt’. Online, waar tweets doorgaans in hun geheel in een artikel worden opgenomen (embedded), is de accountnaam dan al vanzelf zichtbaar. En, uiteraard: verificatie bij de bron of elders blijft het beste.

Nog een bedenking. Tweets zijn niet gericht aan de krant, zoals een vox-popje dat een journalist vraagt op de markt. Media kunnen dus ook best nadenken over de mogelijke gevolgen van citeren of retweeten: het maakt nogal uit of je wat lolligs twittert voor twaalf volgers of dat je tweet door een mainstream medium wordt voorgelegd aan een landelijk publiek, dat al snel morpht in een nationaal tribunaal.

Dan wordt het blauwe vogeltje al snel een aasgier.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.