Zelfs mensen als Reve zouden opknappen van een lekkere saus

Zin in eten Koken doen veel mensen, eten doet iedereen. Marjoleine de Vos over zien, ruiken, proeven, samenzijn en wel of juist niet práten over eten.

Foto Benning & Gladkova

Kan het zijn dat we tegenwoordig te veel over eten praten? Er zijn wel mensen die dat vinden. Eten zou ‘niet zo belangrijk’ moeten zijn, gewoon ‘een boterham met kaas’ zou prima zijn, zonder omhaal ‘een lekkere reep chocola’ kopen en niet zeuren over merken of cacaopercentages. Dat zou deze mensen veel meer bevredigen dan al dat gekwek over garnalenkroketjes van Holtkamp, bonbons van Puccini, varkensvlees geleverd door boeren met vrij opgevoede Bonte Bentheimers, gerookte knoflook of gedweep met bergamotcitroenen – dingen die de lekkerbek wél belangrijk vindt.

Eten hoeft natuurlijk niet je warme belangstelling te hebben, maar van echt lekker eten krijgt eigenlijk iedereen een goed humeur. Als je al een poosje bent weggezakt in zware maar makkelijke macaronischoteltjes en grauw-oranje staafmixersoep kunnen lichaam en geest weer tot leven gebracht worden door een citroenige salade met venkel en mozzarella of pikante geroosterde worteltjes (met harissa en honing, o zo heerlijk). Ik denk dat zelfs mensen als Gerard Reve, die de culinaire geneugten wilde beperken tot op kranten opgediende „volop rauwe wortel, gekookt paardehart en rauwe koolraap”, geconsumeerd achter een juten gordijn, van een écht lekkere saus (een béarnaise! Een en al boter en dragon en nét ietsje zurig) op zouden knappen.

Dit gezegd zijnde behoor ik zelf ook weleens tot de mensen die vinden dat er te veel over eten gepraat wordt. Eten is zo langzamerhand in een politiek en ethisch strijdperk veranderd, en als je daar even van afziet is het wel een worsteling met de gezondheid. Pff. Soms wil je gewoon eten, met smaak, met wellust zelfs.

Koud rundvlees van gelei

Dus je zit aan tafel en het is weer smikkelen en smullen. Je praat misschien toch wel wat over het eten, dat het zo heerlijk is, dat die lof en die peer zo wonderbaarlijk goed combineren, of dat er zo’n verrukkelijke harmonie is ontstaan tussen de zalm, de jeneverbessen en de gin. Je wordt, kortom, een beetje als monsieur de Norpois die bij de ouders van Prousts hoofdpersoon te dineren is en de lof zingt van de boeuf à la gelée die huishoudster Françoise heeft bereid: „Dat zijn dingen die je in een restaurant niet krijgt, ook in de beste niet”, zeg je vergenoegd. „Dat is beslist bewonderenswaardig! Sta mij toe dat ik mij nog eens bedien.”

Daarvoor hoef je nog niet eens zo’n meesterstuk van koud rundvlees in gelei met wat groenten opgediend te krijgen, liggend op brokken gelei „als blokken doorzichtig kwarts”.

Maar stel dat je dat nu zou overkomen en je zou je uitlaten als meneer de Norpois, dan zou men je, als het gesprek niet zou ontaarden in een discussie over de ingrediënten en hun invloed op lichaam en klimaat, ogenblikkelijk gaan vertellen hoe men tot dit resultaat had weten te komen – ingrediënten, bereidingswijzen en precieze tijden. En als je zelf iets zou maken dat in de schaduw van Françoises creatie zou kunnen staan, zou men het recept van je willen weten.

Dat is allemaal zo saai. Koken is leuk, maar in de keuken. Daar praat je over het hoe en wat en waarom. En zelfs daar is niemand verplicht zijn of haar recepten prijs te geven. Françoise doet dat niet in ieder geval, zij was „even weinig genegen het geheim te onthullen van wat haar geleien of crèmes zo bijzonder maakte, als een elegante vrouw het is voor haar toiletten”. Dat laatste is moeilijker invoelbaar, want wat zou er te vertellen zijn over onze hedendaagse toiletten? Bijna niets. Zo ook over de receptuur. Van verrukking blijk geven, en verder niets.