Iedereen zou een keer een revolutie moeten meemaken

Afscheidsstuk Je zou verwachten dat een journalist die negen jaar verslag deed van de vreselijke nasleep van de Arabische Lente cynisch wordt. Het tegendeel is waar, schrijft correspondent Gert van Langendonck bij zijn afscheid.

Een vrouw demonstreert in Beiroet.
Een vrouw demonstreert in Beiroet. Foto GORAN TOMASEVIC/Reuters

Het is een uur of drie ’s ochtends in Ballroom Blitz, een dansclub in de havenwijk van Beiroet, als Samer El-Dahr, artiestennaam Hello Psychaleppo, begint aan zijn dj-set. De menigte die zich rond zijn draaitafels heeft verzameld roept enthousiast „Samer, Samer”, gevolgd door „thawra, thawra”: revolutie. Het is wat bevreemdend om ‘revolutie’ te horen roepen in een club waar een biertje tien euro kost. Maar het is eind december en Libanon is nog helemaal in de roes van de protestbeweging waarmee het op 17 oktober de eigen politieke klasse de wacht heeft aangezegd – en de val van de regering heeft bewerkstelligd. Op een paar kilometer van hier, op Corniche Maazra, zijn soennitische jongeren slaags met het leger. Ze zijn boos over de benoeming van een nieuwe premier door wie zij zich niet vertegenwoordigd voelen.

„Zonder pijn geen verandering”, zegt Samer daarover wanneer ik hem van zijn bewonderaars wegpluk. Hij kan het weten: hij komt uit Syrië. Ik heb Samer net voorgesteld aan Amor Eletrebi, 31, een vriend uit Caïro die speciaal voor het concert naar Beiroet is gekomen. Ik ben best trots dat ik Amor aan zijn idool kan voorstellen: ik interviewde Samer jaren geleden toen hij vluchteling was in Libanon. Nu woont hij in de Verenigde Staten en is hij een cultfenomeen geworden. In december 2019 stond hij ook in de kleine zaal van Paradiso in Amsterdam.

Deze avond in Ballroom Blitz komen even allerlei werelden samen: Libanon, waar ik in 2006 voor het eerst kwam wonen, het Syrische drama, en Egypte, waar ik vijf jaar correspondent ben geweest na de revolutie van 2011.

Amor verpersoonlijkt voor mij Caïro en de Egyptische revolutie. Toen ik hem leerde kennen, in die chaotische maar zo opwindende tijd, stond hij op de voorpagina van een tijdschrift dat uit de revolutie was voortgekomen. Hij sprong van de Kasr-al-Nilbrug de Nijl in terwijl hij een gedicht reciteerde. Hij kon niet zwemmen. Het werd heel even een trend in revolutionair Caïro: van de Kasr-al-Nilbrug springen terwijl je een gedicht voordroeg.

Lichte obsessie

De volgende dagen lopen Amor, zijn zus Ola (die uit Dubai is gekomen) en ik door het centrum van Beiroet, waar de revolutie dan nog in volle gang is. Ik toon hen de gebouwen die in de eerste dagen door de betogers zijn ingepalmd: The Egg, een legendarische bioscoop uit de jaren vijftig, het Grand Théâtre, dat sinds 1975 leegstaat. Ik leg uit wat de slogans betekenen, wie de jongeren zijn die luid scanderend voorbijlopen en uit welke buurt zij komen.

Acht jaar geleden deed Amor hetzelfde voor mij toen hij mijn ‘fixer’ – mijn journalistieke assistent – was tijdens en na de Egyptische revolutie. We zijn ermee gestopt om de vriendschap te redden: Amor was altijd meer dichter dan journalist. Nu ben ik een beetje zijn fixer, het is zijn eerste keer in Libanon.

Revoluties brengen in het begin altijd het beste in de mensen naar boven

Amor heeft de afgelopen maanden een lichte obsessie ontwikkeld voor de revolutie hier, op een moment dat in Egypte zelf de contrarevolutie compleet is. „De mensen hier roepen dezelfde slogans als wij in Egypte in 2011, maar bij hen klinkt het weer fris. Het deed iets met de herinneringen in mijn hoofd.”

In mijn Caïro-tijd kwam ik af en toe op bezoek in Beiroet om aan de Egyptische gekte te ontsnappen. Dat gaf soms een wrang gevoel. Terwijl in Caïro mensen op straat stierven, ging Beiroet gewoon door met wat de stad het beste kan: feestvieren. Er was wel een poging om aan te sluiten bij de Arabische Lente, maar die liep op niets uit. Libanon had geen dictator om omver te werpen.

Lees ook de verhalenreeks waarin Van Langendonck Syrische vluchtelingen volgde op weg naar Europa, bekroond met de Europese Persprijs 2016: Op naar Europa

De Libanezen hebben destijds beter opgelet dan ik dacht. Terwijl we door het centrum van Beiroet wandelen, blijft Amor plots staan. Uit een luidspreker klinkt een Egyptisch lied: een ode aan de 72 zogeheten Ultra’s, voetbalsupporters van de harde kern, die in 2012 om het leven kwamen in het stadion van Port Said – een bloedbad dat toen gezien werd als een wraakactie van de politie voor de rol die deze Ultra’s hadden gespeeld in de Egyptische revolutie. Het raakt Amor, die veel vrienden heeft onder de Ultra’s, dat de Libanezen zich deze gebeurtenis kennelijk herinneren en eer betuigen aan de doden. Mind blown, gebaart hij.

Liefde in tijden van revolutie

Hoewel ik al sinds de Amerikaanse invasie van Irak in 2003 in het Midden-Oosten vertoef, begon mijn huidig correspondentschap voor NRC in Caïro in 2011, middenin de Egyptische revolutie.

Rond de eerste verjaardag van die revolutie maakte ik met Amor en de Belgische fotografe Pauline Beugnies een reportage over stelletjes die elkaar hadden leren kennen op het Tahrirplein. Liefde gedijt in tijden van revolutie. Van de drie stellen die wij toen interviewden, is er nog maar één bij elkaar: Solafa Magdy en Hossam al-Sayyad. En uitgerekend zij zitten sinds november in de gevangenis. Hun misdaad: jong en journalist zijn in het Egypte van president Sisi.

Met een groep collega’s proberen we lawaai te maken over de arrestaties, de zoveelste in een land dat een permanente oorlog lijkt te voeren tegen de eigen jeugd. We maken ons weinig illusies. Westerse landen geven Egypte al jaren het signaal dat mensenrechtenschendingen niet belangrijk worden gevonden. Zelfs Italië, dat overhoop ligt met Egypte over de moord in Caïro op de 28-jarige student Giulio Regeni in 2016, wellicht door de Egyptische politie, gaat nu voor 10 miljard dollar fregatten verkopen aan het land.

In 2015 was ik in Amsterdam voor de correspondentendagen van NRC. Toenmalig VVD-coryfee Halbe Zijlstra kwam ons uitleggen dat Sisi „een man is met wie je kan samenwerken”. Iets met de strijd tegen het terrorisme. Precies het argument waarmee westerse landen vóór 2011 ook hun steun aan Arabische dictators rechtvaardigden.

Ganzeer, een Egyptische graffitikunstenaar die bekend werd tijdens de revolutie, schreef deze maand: „Een regering die het goed voorheeft met de mensen zou geen vijand maken van het eigen volk. Zij zou juist ruimte creëren waarin de mensen hun grieven kunnen uiten, en die grieven dan gebruiken als leidraad voor een beter bestuur.”

Dat laatste vat beter dan het woord ‘democratie’ samen waar de Arabische wereld in 2011 en opnieuw in 2019 om schreeuwde. Want in 2019 zijn opnieuw revoluties uitgebroken, nu in landen die in 2011 juist niet hadden meegedaan: in Irak en Libanon – die in 2011 al democratie hadden, zij het een disfunctionele – en in Algerije, waar het schrikbeeld van de terreur in de jaren negentig elke verandering had tegengehouden. Tot de Algerijnen besloten dat argument niet langer te slikken.

Lijst van gedode vrienden

In 2011 kwam ik een oude vriend uit Irak tegen aan de grens tussen Tunesië en Libië, waar toen net de opstand tegen Gaddafi was uitgebroken: Ghaith Abdul-Ahad. Voor deze krant schreef ik in 2004 vanuit Bagdad een profiel over hem en twee van zijn vrienden. Ghaith is sindsdien uitgegroeid tot een gerenommeerd fotograaf en journalist die voor The New York Times en The Guardian heeft gewerkt.

Ghaith verbaasde zich over het respect waarmee de Tunesische grensbewakers hem behandelden; dat had hij in de Arabische wereld nog niet meegemaakt. Toen de Libische grensbewakers hem wilden arresteren, schoten de Tunesiërs hem te hulp. Het waren dagen van hoop, ook voor Libië. Daar aan de troosteloze grensovergang van Ras Ajdir – niets zo troosteloos als een grensovergang in de Arabische wereld – mijmerden we over de toekomst.

„Ik weet dat de Arabische landen niet van de ene op de andere dag Zweden gaan worden”, zei Ghaith. „Maar misschien kunnen we Roemenië krijgen? Ja, Roemenië, daar zou ik voor tekenen.”

Zelfs Roemenië bleek te hoog gegrepen.

Het behoeft geen betoog dat de Arabische Lente geen succesverhaal is geweest. Oorlog in Syrië, Libië en Jemen, een nog repressiever regime in Egypte. IS en Al-Qaeda. Zelfs in Tunesië, het enige succesverhaal, is het met de jeugdwerkloosheid, in 2011 een van de aanleidingen voor de revolutie, erger gesteld dan ooit.

Er is een persoonlijke tol geweest. De lijst van gedode vrienden en collega’s is lang: Gilles Jacquier, Rémi Ochlik en Marie Colvin, Jim Foley, Tim Hetterington en Chris Hondros, Jeroen Oerlemans en John Cantlie. Jeroen en John heb ik ooit nog aan elkaar voorgesteld in Tripoli. Ze werden snel vrienden en trokken samen naar Syrië, waar ze ontvoerd werden door jihadisten én ontsnapten. Later werd Jeroen gedood door IS in Libië. Van John, in 2012 opnieuw ontvoerd door IS in Syrië, is al jaren niets meer vernomen.

Dagboek uit Idlib

Wat valt er nog te zeggen over Syrië? Deze maand keek ik in een zaaltje in Beiroet naar For Sama, een bekroonde documentaire over Aleppo. Op een bepaald moment zegt hoofdpersonage Waad al-Kateab: „Miljoenen mensen hebben op mijn video’s geklikt maar niemand doet iets om Assad te stoppen.”

Diezelfde dag had ik contact gelegd met een jonge vrouw in Idlib die via sociale media verslag doet van het offensief van het Syrische regeringsleger en Rusland daar, hemelsbreed 250 kilometer van het zaaltje in Beiroet. Of zij voor ons een dagboek kon bijhouden? Zelfs na acht jaar oorlog, en afgeschreven door de hele wereld, zijn de Syriërs nog altijd bereid om geduldig uit te leggen wat hun situatie is. In belegerd Sarajevo waren de mensen na twee jaar al cynisch over de westerse media: onze meelevende verhalen hadden toch niets uitgehaald.

„Ik weet dat we niet van de ene op de andere dag Zweden gaan worden. Maar misschien kunnen we Roemenië krijgen?”

Ghaith Abdul-Ahad

Maar er is ook kritiek op documentaires als For Sama: zij zouden een te rooskleurig beeld geven van het leven in oppositiegebied in Syrië. In For Sama zegt al-Kateab op een bepaald moment: „De islamisten proberen onze revolutie te kapen.” Onmiddellijk gevolgd door: „Maar wat Assad doet, is veel erger.”

Verslag doen van de oorlog in Syrië is frustrerend geweest. Het is niet alleen het menselijk leed, het is ook de quasi-onmogelijkheid om er objectief over te berichten. Aan de regimekant werk je onder censuur, als je al een visum krijgt. Aan de oppositiekant werd het risico van ontvoering al snel te groot.

En dus praat je via WhatsApp met activisten in oppositiegebied. Telkens opnieuw vraag je hun naar de invloed van de extremisten. Telkens opnieuw wimpelen ze die vraag weg, want Assad is erger.

Vandaag kijkt de wereld weg terwijl zich in Idlib de eindstrijd voltrekt. Het drama in Idlib was voorspelbaar. Door Assads strategie van het belegeren en uithongeren van steden, telkens gevolgd door een veilige aftocht voor de gewapende groeperingen naar Idlib, is die provincie nu inderdaad een afvoerputje van extremisten geworden.

Maar laten we niet vergeten dat in Idlib ook mensen als Raed Fares woonden. De leraar Engels in Kafranbel werd wereldberoemd met de slogans en sketches waarmee hij de misdaden van Assad én de hypocrisie van het westen aanklaagde.

Fares heeft altijd met open vizier tegen Assad én de extremisten gestreden. Toen ik hem voor het laatst sprak, in oktober 2018, had de deal tussen Turkije en Rusland voor enig respijt voor Idlib gezorgd. Fares wilde daarvan gebruik maken om opnieuw niet-religieuze muziek uit te zenden op zijn radiozender Fresh, hoewel hem dat verboden was door de extremisten van Hayat Tahrir al-Sham. „Ik wil testen of zij zwakker of sterker zijn geworden”, zei hij.

Een maand later werd Fares vermoord door de extremisten. Kafranbel is deze week in handen gevallen van het Syrische regime; de bevolking is gevlucht.

Explosie van optimisme

Men zou misschien verwachten dat een journalist die negen jaar heeft bericht over de vreselijke nasleep van de Arabische Lente, cynisch is geworden over de wenselijkheid van revoluties in de Arabische wereld. Het tegendeel is waar.

De laatste maanden liep ik opnieuw met een brede glimlach door Beiroet en Bagdad. Revoluties brengen in het begin altijd het beste in de mensen naar boven. Je komt er de aardigste mensen tegen, die niet anders willen dan wonen in een land waar ze een beetje trots op kunnen zijn. Ik kan het iedereen aanraden om een revolutie mee te maken: het herstelt je geloof in de mensheid.

Demonstranten in Bagdad: ‘Wij hebben ons hele leven alleen maar angst en terreur gekend’

Vooral in Irak is de explosie van optimisme en creativiteit aanstekelijk. Ik kom al sinds 2003 in Irak, maar in december vorig jaar had ik het gevoel dat ik de Irakezen voor het eerst leerde kennen. Voor een reeks portretten van betogers hadden we besloten om iedereen met een mondkapje te fotograferen: veel betogers in Bagdad liepen sowieso met een mondkapje rond, nog niet wegens het coronavirus maar uit vrees herkend te worden door milities. De zeventienjarige Nour, die een schilderij aan het maken was in het zenuwcentrum van het straatprotest, het zoheten ‘Turkse restaurantgebouw’, wilde eerst geen kapje op: zij was niet bang voor de milities, zei ze, ook al hadden die haar al persoonlijk bedreigd.

Ik hoop dat het haar goed gaat. Want de aanhangers van de Iraakse sjiitische leider Moqtada al-Sadr, die nu eens voor de revolutie is en dan weer tegen, hebben mensen als Nour uit het Turkse restaurantgebouw weggejaagd. Al-Sadr had ook geëist dat er apart gedemonstreerd zou worden door mannen en vrouwen. Iraakse vrouwen hebben daarop gereageerd met een massale betoging: een opgestoken vinger naar figuren als al-Sadr.

Je wordt wel cynisch over de afloop. Het zal in Irak en Libanon ook wel weer fout aflopen. In Libanon heeft de revolutie een beetje aan momentum verloren, en de politieke klasse profiteert daarvan door activisten te laten oppakken of hen voor de rechtbank te dagen. In Irak is het coronavirus een geweldig excuus om nieuw straatprotest te verbieden. De activisten hebben een nieuwe slogan: „Het coronavirus houdt ons niet tegen.”

Want dit is het: je kan voor of tegen revoluties in het Midden-Oosten zijn, maar zolang er geen fundamentele verandering komt, zullen ze toch blijven gebeuren. Keiharde repressie, zoals in Egypte of Syrië, kan een generatie activisten monddood maken of naar Berlijn doen verhuizen. Maar de volgende generatie staat al klaar. Politici in het Westen die weer willen geloven in de theorie van de sterke man kunnen daar beter rekening mee houden.