Foto Merlijn Doomernik

Interview

‘Het is wél een mooi verhaal voor mijn dagboek’

Acteur Paul Haenen Tot hij Margreet Dolman ging spelen hield acteur Paul Haenen een dagboek bij. Daarna was het niet meer nodig. „Zij werd mijn bliksemafleider.” Zijn dagboeken verschijnen nu in boekvorm.

‘Ik trek me alles zoveel aan. Wat er gebeurt en zo”, schrijft Paul Haenen op 25 februari 1962 in zijn dagboek. Hij is dan veertien jaar. Het is onmiskenbaar de rode draad van Ik heb bekend-dagboeken 1958-1965, het jeugddagboek van Paul Haenen. „Het laat de lange weg zien om tot een soort evenwicht te komen.” Tussen zijn twaalfde en negentiende schreef Haenen (73) meer dan dertig dagboeken vol, in totaal zo’n vijfduizend pagina’s. Hij sleepte ze daarna bij iedere verhuizing mee in vuilniszakken. Altijd met de angst dat ze per ongeluk op dinsdagochtend langs de weg zouden belanden.

Twintig jaar geleden zou hij zijn dagboeken al eens uitbrengen. De boekhandel had er alvast vijfduizend besteld. Op het laatste moment trok hij de uitgave terug. „Ik kon er geen afstand van nemen, ik zat er nog te dicht op.”

Maar nu hij de zeventig voorbij is, zit hij in een andere periode. „Nu, in de laatste fase van je leven, kijk je met meer afstand naar je jeugd. Ik ben het niet meer zélf. Als ik het nu lees vind ik het vooral grappig dat iemand op die leeftijd zo ambitieus is, en bovendien zulk grensoverschrijdend gedrag vertoont.”

In Ik heb bekend gaat de jonge Paul Haenen inderdaad weinig uit de weg. Hij schrijft openhartig over de ruzies tussen zijn ouders, zijn visie op zijn klasgenoten, zijn ontluikende homoseksualiteit maar ook over omroeppolitiek. En hij schrijft over zijn broers Rob en Tom. Hele pagina’s zijn uitgetrokken voor afgeluisterde gesprekken tussen zijn oudste broer Rob en diens vrouw Hella. Onder de kop ‘Hellarie’ doet hij als vijftienjarige opgewonden – Dagboek Exclusief! Ik ga van haar af! – verslag van hun echtelijke twisten. Als een volleerde Henk van der Meyden kwistig strooiend met tussenkopjes als ‘onthullend’ en ‘openhartig’.

Gisteren is het tot een uitbarsting gekomen. Hella begon weer over het geld te praten en Rob bleef bij z’n standpunt. Het eten stond op tafel, maar om Rob te dwarsbomen heeft ze er toen Vim doorheen gestrooid om het oneetbaar te maken. Rob zou vandaag ook geen eten krijgen, vandaar dat hij naar ons toe kwam en dit verhaal vertelde. En daarbij zo opgewonden raakte dat hij wederom zei: „Ik ga van haar af, dit neem ik niet meer.”

In feite was hij verslaggever van zijn eigen leven, op reportage in zijn eigen bestaan. Met het dagboek als uitlaatklep en luisterend oor. „Ik heb nooit de bedoeling gehad om het aan anderen te laten lezen. Ik vond het gewoon fijn om te schrijven, zoals sommige kinderen het fijn vinden om te tekenen. Als ik ruzie met mijn vader had, dacht ik ondertussen: ‘maar het is wél een mooi verhaal voor mijn dagboek’. Dat journalistieke is een reddende laag onder je leven. Daardoor overleef je altijd.”

Hij wilde met zijn dagboek aan zichzelf laten zien dat hij echt bestónd. „Ik had het gevoel dat mijn ouders en mijn twee broers vonden dat ik een nitwit was die er niet toe deed. Ik huilde veel, en mijn broers pestten me vaak. Maar als ik op zondag bij bekende acteurs langsging voor een foto met handtekening, dan zeiden ze toch: ‘goh, dat je dat durft’.”

Die acteurs stonden gewoon in de Beroepengids. En dus belde hij simpelweg bij Mary Dresselhuys, Ko van Dijk, Guus Hermus of Herbert Joeks aan. Eigenlijk was hij gewoon een beetje verliefd op Joeks (die destijds Klukkluk speelde in Pipo de Clown). Leeftijdgenoten vonden dat bespottelijk. „Ze vonden Klukkluk nou niet bepaald knap.”

Het dagboek was zijn reddingsboei. Want hij heeft zijn jeugd ervaren als „zeer benard”. Zijn vader was hoofd van een LOM-school, en later directeur van een pedagogisch centrum in Den Haag. Zijn moeder was een artistieke vrouw, maar werd geplaagd door straatvrees. Ze bracht haar zoons ook nooit naar school. „Dat deed de buurvrouw.”

Zijn moeder ging verkeerd met haar straatvrees om, denkt hij nu. „Ze koesterde de angst. Het was haar identiteit geworden.” Eén keer wist ze haar angst te overwinnen. Hij had moorkoppen moeten halen, op zaterdagmiddag in een drukke bakkerswinkel. Toen hij thuiskwam, ontdekte zijn moeder tot haar ontzetting dat de slagroom was ingezakt. Wóest was ze. „Ik aanvaard geen ingezakte slagroom!” Hij durfde niet terug naar de drukke winkel. En dus stoof ze dan maar zelf naar buiten om verhaal te gaan halen bij de bakker. „Ineens won de woede het van de angst.”

Lees ook over de plannen van Haenen om zijn onlinekanaal uit te bouwen tot echte omroep: Paul Haenen strijdt met doe-het-zelf-zender tegen de verschraling

Zijn moeder schilderde. Maar ook zijn vader kon dat heel goed. Al moest hij daar op last van zijn moeders psychiater mee stoppen. „Dan zou ze maar jaloers kunnen worden. Dat was een verkeerde prikkel. Terwijl hij prachtig kon schilderen.”

Dus ze belemmerden elkaar enorm?

„Ja nou! Heel zielig, want ze waren allebei echt wel uit het goede hout gesneden. En toch gingen ze elkaar enorm haten. Ik was heel gevoelig voor die onderhuidse spanning. Mijn vader woonde vanwege zijn werk niet bij ons, maar in Den Haag. Hij kwam vooral terug voor zijn vuile was, maar dan sliep hij bij zijn moeder. Als mijn vader thuiskwam voor de Kerst dan speelden ze dat het heel gezellig was. Terwijl ik juist het gevoel had dat het de hel was.”

In de dagboeken wordt ook al vroeg Haenens ontluikende homoseksualiteit zichtbaar. Al heeft hij daar op dat moment nog niet de passende woorden voor. Kees Polderman, de klassenvertegenwoordiger, vindt hij vooral „erg aardig, gezellig en geestig”. „Ik fietste met Kees na school helemaal mee naar zijn huis in Amstelveen. Dat was zeker tien kilometer. Mee naar binnen gaan was er niet bij. Ik wilde gewoon even naast hem fietsen.”

Zijn gevoelens voor jongens bleven in het begin onbeantwoord. Ook daarbij was het dagboek voor hem een uitlaatklep. „Ik weet nog dat ik met Ludo op het Centraal Station naar treinen ging kijken. Ik sloeg op een gegeven moment mijn arm om hem heen. Niet zomaar een arm, maar een liefdesarm. Hij draaide zich met een ruk van me af. „‘Nee, dat wil ik niet’. Ik werd altijd afgewezen. Behalve door mijn dagboek.”

Uit het dagboek komt het beeld naar voren van een heel eenzaam jongetje.

„Enorm. Tegelijk was er de schoonheid van de eenzaamheid. De melancholie die ik bij de songs van Frank Sinatra vond; dat zwelgen in eenzaamheid.”

Ik kreeg bij het lezen soms de neiging om een arm om dat jongetje heen te slaan.

„Hadden die jongens dat toen maar gedaan. Nee, ik word er juist wel opgewekt van. Ik vind het mooi om te zien dat ik toen al met dingen bezig was die ik nog steeds doe. En nu ben ik al heel lang met Dammie, waardoor je het leven samen doet.”

In het dagboek komt een aangrijpende passage voor over een fietstocht die Haenen maakt met zijn vader. Hoe goed de bedoelingen ook zijn, in alles is de kloof tussen vader en zoon voelbaar. „Een diepgewortelde droevige pijn”, schrijft hij daarover, „omdat je iets mist wat je juist nodig hebt: liefde.”

Als hij het dagboek nu leest vindt hij dat hij veel te hard oordeelt over zijn vader. „Ik stond altijd aan de kant van mijn moeder. Mijn moeder klaagde bijvoorbeeld voortdurend tegen mij dat ze veel te weinig huishoudgeld van hem kreeg. Dan ging ik daar met mijn vader over in discussie. Compleet met uitvoerige berekeningen van wat zij per week aan brood, pindakaas en hagelslag uitgaf. Achteraf denk ik dat ik misschien wel loyaal aan de verkeerde was. Ik had het idee dat mijn vader mij niet zág.

Na zijn dood bleek hij een aktetas vol knipsels over mij te hebben.”

In Ik heb bekend beschrijft hij ook hoe hij aan zijn vader vertelde dat hij homoseksueel is.

Gerard Reve, die bewonder je toch?

-Ja, dat is een enorm stilist.

Ik ben ook zo.

-Een enorm stilist?

Nee, homo.

-Oh nou ja. Als het zo is, dan is het zo.

Zijn moeder huilde even toen ze het hoorde. Kort daarvoor had ze nog recht in zijn gezicht gezegd: ik háát homoseksuelen. „Ik dacht: wat een kutwijf. Maar wel een schitterende uitspraak voor mijn dagboek.”

Via de huisarts belandde hij uiteindelijk bij een psychiater, om over zijn seksuele gevoelens te praten. „Die zei: ‘je hebt te weinig mannelijkheid getankt’. Dat zijn zinnen die je niet vergeet. Hij liet me allerlei psychologische testen doen. De bedoeling was dat hij mij eventueel zou kunnen omturnen. Maar dat wilde ik helemaal niet. Ik wilde alleen een officiële bevestiging dat ik homo was, ook voor mijn ouders.”

In het dagboek stelt Haenen zich regelmatig de vraag of zijn vader misschien óók homo is. „Hij heeft mij weleens een bekentenis gedaan dat hij met een neef aan ‘mutuele onanie’ had gedaan. Bij het COC hadden ze het ook over mutuele onanie. Dat vond ik als jongen een heel fijn wetenschappelijk begrip.”

Zijn eerste seksuele ervaring wordt ook beschreven, even gedetailleerd als hilarisch. Want die eerste keer met Frans, een zestien jaar oudere vriend van zijn broer Tom, blijkt een deceptie. Ik dacht: nou, is dit dan het mooiste wat er bestaat? En toen hij in al zijn naaktheid in een soort extase op me lag – wat een gewicht, dacht ik, wat saai en vervelend is dit, zou ’t nog geen tijd zijn? – zei ik: „Ik moet wel op de tijd letten hoor, anders krijg ik er last mee.” Jaja, daar kon hij wel in komen.

Wie het dagboek leest, hóórt in gedachten Margreet Dolman praten. Niet zo gek, vindt Haenen. In 1976 bedacht hij Margreet Dolman voor een hoorspel bij Radio Stad Amsterdam. Hij had Adèle Bloemendaal in gedachten voor de rol. „Maar omdat er geen budget beschikbaar was ben ik het zelf gaan doen.”

Het was geen toeval dat de introductie van Margreet Dolman samenviel met het beëindigen van zijn dagboek. „Zij werd mijn bliksemafleider. Als ik eenzaam was, was Margreet nog veel eenzamer. Tegen het suïcidale aan.” Vanaf dat moment had hij het dagboek niet meer nodig. „Ineens kon ik schrijven voor de openbaarheid. Daarmee had het zijn functie verloren.” Bovendien kwam hij in diezelfde periode zijn partner (en latere compagnon) Dammie van Geest tegen, met wie hij nog altijd samen is. Toen hij hem ontmoette, liet hij hem eerst zijn dagboeken lezen. „Daarvoor had ik een verhouding gehad met Jan Lenferink. Die had ze ook gelezen. Stiekem, toen ik niet thuis was. Hij haakte af, mede vanwege die dagboeken. Maar Dammie aanvaardde mij, ondanks mijn vreemde kanten.”

Hij houdt allang geen dagboek meer bij. Maar hij kan bij onaangename gebeurtenissen nog wel steeds dat gevoel hebben: ‘maar het is straks wél een mooi verháál’. In 2017 viel hem op dat hij steeds zo kortademig was. Op straat kon hij Dammie maar amper bijhouden. Misschien was-ie gewoon wat moe. Op aandringen van Dammie ging hij toch naar de huisarts. Een uur later lag hij in het ziekenhuis aan de hartbewaking. Zijn hartkleppen bleken te lekken, en hij moest gedotterd worden. „Maar ook toen dacht ik: ik ga tenminste wél een nieuw avontuur tegemoet.”

Hij heeft in die weken veel nagedacht over ouder worden en vergankelijkheid. Daar had hij in dat ziekenhuisbed alle tijd voor. Nadien zijn er echt dingen veranderd. Dammie en hij besloten bijvoorbeeld te trouwen. „Het is toch beter om alles maar goed te regelen.” En hij ging weer op tournee, en richtte een tv-platform op: Bettyasfalt.tv. Ook het besluit om nu eindelijk iets met zijn dagboeken te doen is in die periode genomen. „Ik heb weer veel meer energie gekregen.”

Of die jongen van toen trots zou zijn op de man die hij is geworden? Haenen denkt van wel. „Al denk ik soms dat ik aan die jongen verplicht ben om er nog meer uit te halen. Om bijvoorbeeld nog meer toneelstukken te schrijven. Tegelijkertijd is dat een mooie reden om nog even flink door te gaan.”

De publicatie van zijn dagboek voelt voor Haenen als een bevrijding. „Het is een grote opluchting dat ik niet meer hoef na te denken over wat er mee moet gebeuren.” Of weggooien ook een optie was geweest? Hij kijkt me licht verbijsterd aan. „Nee zeg! Dan had ik vast enorme huilbuien gekregen. Alsof je je oude zelf weggooit, je bron. Alsof je je ouders vermoordt. Ik ben nu zestig jaar ouder, maar die jongen herken ik nog steeds helemaal.”