Recensie

Recensie Boeken

Geschiedschrijving met een vernauwde blik

Indonesië In zijn geschiedenis van de dekolonisatie van Indonesië probeert John Jansen van Galen algemeen aanvaarde waarheden te bestrijden. Het levert een vals geschiedsbeeld op.

Openluchtbijeenkomst in 1947 van jongeren rondom het onafhankelijkheidsstreven van Indonesië.
Openluchtbijeenkomst in 1947 van jongeren rondom het onafhankelijkheidsstreven van Indonesië. Nederlands Fotomuseum/Cas Oorthuys

Indonesië, ooit Nederlands grootste koloniale bezitting, viert dit jaar op 17 augustus haar 75-jarig bestaan als vrije republiek. Het is daarom mooi dat er een beknopte geschiedenis is verschenen van de onafhankelijkheidsoorlog. Al was de aanleiding voor auteur John Jansen van Galen (1940) eerder de soevereiniteitsoverdracht, zeventig jaar geleden. Die werd afgelopen 27 december opzichtig níet gevierd.

De spanning tussen die twee data, 17 augustus 1945 en 27 december 1949, symboliseert het eeuwige postkoloniale trauma van Nederland. Dat wordt weer eens onderstreept door het feit dat het staatsbezoek van koning Willem Alexander en koningin Máxima dit jaar aan Indonesië al volgende maand plaatsheeft in plaats van bijvoorbeeld op 17 augustus. Alles onder het motto: vooruitkijken.

Misschien is het begrijpelijk dat terugkijken niet echt op de agenda staat, want tussen augustus 1945 en december 1949 werd weinig ‘groots verricht’ in Indonesië.

En daarover schrijft Jansen van Galen in Fiasco van goede bedoelingen. Nederland en de Indonesische onafhankelijkheid. Eerder, in 2012, schreef hij al een omvangrijke studie over de dekolonisatie van Suriname (zijn eigenlijke specialisme) en Indonesië, Afscheid van de koloniën, Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Het nieuwe boek ontleent er talrijke passages aan.

Veteraan

Jansen van Galen is een journalistieke veteraan wiens naam decennialang verbonden was aan het opinieweekblad Haagse Post, later HP/De Tijd. Dat verklaart wellicht waarom zijn boek leest als een hybride tussen geschiedschrijving, essay en pamflet. Dat komt door de aard van de vragen die het verhaal in dit boek voortstuwen. Die zijn niet zozeer gericht op bevrediging van nieuwsgierigheid naar bijvoorbeeld het wezen van het koloniale systeem waartegen de Indonesiërs in opstand kwamen of naar de drijfveren aan Indonesische zijde of de internationale context van de Indonesië-oorlog. Nee, het gaat heel erg over de vraag of ‘ons land zich inderdaad hardnekkig en met groot geweld heeft ‘verzet tegen de dekolonisatie van Indonesië’, zoals je tegenwoordig steevast hoort’. En ook: ‘betekende de soevereiniteitsoverdracht werkelijk een smadelijke nederlaag voor Nederland?’ Jansen van Galen wil met het boek volgens hem algemeen aanvaarde ‘waarheden’ bestrijden. En dat prisma zorgt voor onnodige vertekeningen van het beeld.

Voorbeeld: Jansen van Galen beschrijft de inmiddels beruchte militaire actie van Nederland in het toenmalige West-Javaanse dorp Rawagede (nu: Balongsari). Volgens Nederlandse militaire bronnen was het dorp een ‘broeinest’ van terroristen. Gevolg was een bloedbad waarbij zeker honderdvijftig ongewapende mannen en jongens werden gedood, mogelijk drie keer zoveel. Jansen van Galen verwijst naar een rapport van een VN-commissie die destijds onderzoek instelde naar dit ‘incident’ als neutrale bron en schrijft dan dat het dorp volgens dat onderzoek inderdaad ‘het centrum van een terroristische beweging’ was. Maar wie de tekst van het rapport opzoekt, leest daar dat de commissie niet spreekt over terroristen maar over een ‘underground movement’, een ondergrondse beweging. Geen gering verschil van betekenis.

De omvang van het Nederlandse militaire geweld waardoor honderdduizend Indonesische burgers hun leven verloren, moet de lezer zelf verder maar afleiden van deze ene beschreven casus. Maar in zijn polemische inleiding stelde Jansen van Galen al dat beschrijven van de ‘gruwelijke historie’ het zicht kan ontnemen op waar het werkelijk om gaat: hoe Indonesië onafhankelijk werd en welke rol Nederland daarin speelde. Die vragen worden in dit boek slechts gedeeltelijk beantwoord. Oorzaak is het vernauwde blikveld van Jansen van Galen. Hij richt zich traditiegetrouw op onderhandelingstafels op de Hoge Veluwe, in Linggarjati en op de USS Renville, in Kaliurang en in Jakarta. Buiten beschouwing blijven bijvoorbeeld de bewegingen van de VS, Groot-Brittannië, Australië en opkomende democratieën in Afrika en Azië waarmee vice-president Mohammed Hatta al banden onderhield sinds de jaren twintig. Wie bijvoorbeeld de Officiële Bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1950, samengesteld door S.L. van der Wal (1978), P.J. Drooglever en M.J.B. Schouten erbij neemt zal zien dat het diplomatieke speelveld van Nederland in de relatie tot de jonge republiek vooral buiten die onderhandelingstafels werd bepaald.

Retorische vragen

Het pamflettistische karakter van Fiasco van goede bedoelingen komt vooral tot uitdrukking in de stijl. Die is er een van retorische vragen, zinnen met uitroeptekens en gebruik van indirecte rede en ironie waarachter de schrijver zich schuilhoudt. Daarbij verwijst hij naar Indonesiërs vaak met het denigrerende woord ‘inlanders’, zijn Nederlanders meestal ‘stoer’ of ‘mannetjesputters’ en is de Indonesische kant ‘onbetrouwbaar’.

Jansen van Galen mist de boot waar het gaat om het doorgronden van de onhoudbaarheid van het koloniale systeem. Terloops laat hij hier en daar de term ongelijkheid vallen. Maar dat gaat dan meestal over de verhoudingen tussen de landen van het Koninkrijk. Dat is de staatkundige kant. Maatschappelijk was die ongelijkheid op basis van racistisch onderscheid juridisch vastgelegd. Europeanen hadden meer rechten dan Vreemde Oosterlingen en die weer meer dan Inlanders. Enige aandacht voor die apartheidspolitiek in de kolonie zou bijgedragen hebben aan een beter begrip van de Indonesische motieven.

Daarbij is Jansen van Galen bovendien ambigu. Hij veroordeelt de goede bedoelingen van het Nederlandse paternalisme achter de ethische politiek. Die hebben volgens hem tot dat fiasco geleid uit de boektitel. Maar hij vindt ook (al heel lang) ‘dat Nederland het niet zo slecht deed’. Het is maar welke normen je hanteert. Aan het slot van het hoofdstuk over het bloedbad in Rawagede schrijft Jansen van Galen: ‘Zo heeft deze geschiedenis de hele cyclus doorlopen van rechtvaardiging, verzwijgen, vergoelijken, verdoezelen en boetedoening.’ Maar wat sinds 1950 ontbreekt is strafrechtelijke vervolging wegens oorlogsmisdaden, dat gegeven wordt nergens geproblematiseerd. Niemand is nu nog geïnteresseerd in de vraag of de soevereiniteitsoverdracht nou een fiasco of een debacle was.