Recensie

Recensie Boeken

De Nederlandse correspondent die ooggetuige was van de Russische geschiedenis

Rusland Veertig jaar lang reisde journaliste Laura Starink door Rusland. In haar nieuwe boek maakt ze de balans op. Zo verblijft ze in een dorp waar de nieuwe tijd nog amper is doorgedrongen.

Sint-Petersburg – destijds Leningrad – in de jaren zestig.
Sint-Petersburg – destijds Leningrad – in de jaren zestig. Foto Vladimir Bogdanov/Getty Images

Op de eerste pagina van Post uit Rusland zit Laura Starink met een jonge Ruslandcorrespondent in een café in Moskou. Ze praten over het WK voetbal, het is de zomer van 2018 en Rusland is gastland. Als de jonge verslaggever zegt dat iedereen blij is met de onverwacht goede prestaties van het nationale team – Spanje is net verslagen, kaatst Starink terug dat zij juist Russen kent die teleurgesteld waren vanwege de recente overwinning. Mocht het team het WK winnen, dan zou dat een pr-opsteker zijn voor president Vladimir Poetin.

„Jij bent de enige die zulke Russen kent!” zegt de jonge correspondent stomverbaasd. Starink grapt: „Ik ben dan ook een ouderwetse mensenrechtenactivist.” Een paar dagen later, schrijft ze, zal ze in een column opduiken als ‘mensenrechtenmammoet’.

Met zelfspot maakt ex-Ruslandcorrespondent van NRC Starink hier direct duidelijk wat ze verderop in het voorwoord zal herhalen: voor haar zijn het vrije woord, de rechtsstaat en de vrijheid van informatie heilig. Het zijn misschien waarden die er wereldwijd – en zeker in Rusland – niet heel goed voorstaan, maar voor Starink, die haar jeugd doorbracht ‘in een Europa dat getekend was door de Tweede Wereldoorlog’, zijn ze nog altijd ‘richtinggevend’.

Het verklaart haar focus op deze thema’s in Post uit Rusland. Starink probeert in haar nieuwste boek de balans op te maken van bijna veertig jaar reizen en werken in het land: wat is er veranderd, wat bleef hetzelfde? Is de gewone burger erop vooruitgegaan na de val van de Sovjet-Unie? Heeft die nu meer vrijheid en rechten dan vroeger?

Het zijn op zich interessante vragen, in een Rusland dat de afgelopen twee decennia onder Poetin een complexe ontwikkeling heeft doorgemaakt naar ‘geleide democratie’. Alleen lijkt het boek eerst een hele andere kant op te gaan. Na een enigszins anekdotisch verslag van een verblijf in een leeglopende plattelandsgemeenschap in het eerste hoofdstuk begint Starink in het volgende hoofdstuk over dichters die Siberië hebben bezongen. Dat werkt wat frustrerend: het is inderdaad net alsof de lezer per post wat briefkaarten uit Rusland heeft gekregen. Wat zitten we nu precies te lezen?

Teleurstellingen

Vanaf ongeveer een kwart raakt Starink echter ineens op dreef. Post uit Rusland wordt dan een breed portret van de relatie tussen burger en de Russische staat – en hoe Starink de afgelopen veertig jaar heeft gezien dat die laatste dankzij intimidatie, manipulatie en propaganda vrijwel altijd de bovenliggende partij is. Het leek er misschien rond 1989 even op dat de bevolking aan de winnende hand was, maar de diepe teleurstellingen van de chaotische jaren negentig plaveiden uiteindelijk de weg voor de terugkeer van de sterke staat. En die maakt niet zelden gebruik van klassieke Sovjet-methodes om aan de macht te blijven.

Starink maakt haar punt door persoonlijke verhalen uit het heden af te wisselen met geschiedenis, ervaringen uit haar studietijd in Leningrad (1979) en de verbazingen van haar perestrojka-correspondentschap. Weinig vangt bijvoorbeeld zo sterk de revolutionaire en hoopvolle sfeer van begin jaren negentig samen als het interview dat Starink in 1993 heeft met de directeur van de Leningradse KGB. In die jaren zette het gesloten bolwerk vrij plotseling op ongekende wijze de deur open, zelfs voor buitenlandse journalisten. Starink voelt de directeur kritisch aan de tand over de op onzin gebaseerde vervolging van een kennis uit haar studietijd, een journalistieke buitenkans die in de Russische geschiedenis nauwelijks een paar jaar heeft bestaan (dat de directeur niks toegeeft, doet aan de unieke situatie niets af).

Jelle Brandt Corstius reisde langs de BAM, een spoorlijn door Oost-Rusland die in de jaren zeventig als prestigeproject werd aangelegd. Lees ook: Een boekje dat je vooral leest om de gortdroge humor en anekdotes van Jelle Brandt Corstius

Want al gauw werd alles weer min of meer zoals het was, constateert Starink: na de bliksemopkomst van Poetin werd de geheime dienst, inmiddels omgedoopt tot FSB, weer volledig gesloten voor de buitenwereld. De rol van de organisatie groeide de afgelopen jaren alleen maar, met als doel de bevolking te controleren. En wie nu kritische vragen stelt over het bloederige verleden van de dienst, wordt tegengewerkt.

Dat Starink een ooggetuige is geweest van grote delen van de Russische geschiedenis van de afgelopen decennia is de grote kracht van dit boek. Ze heeft Gorbatsjov ontmoet en was in Moskou toen Russen eind jaren tachtig opeens vrij over politiek begonnen te discussiëren, maar is net zo goed bevriend met een (anonieme) adviseur van Poetin. Het stelt haar in staat om voortdurend historische panorama’s te schetsen. Een hoofdstuk over hedendaagse censuur in Rusland vult ze aan met een openhartig interview met een censor dat ze in 1988 hield: in beide gevallen blijkt dat de overheid het prima vindt als een kleine elite leest waar ze zelf zin in heeft, zolang de staatstelevisie de rest van de bevolking maar in het gareel houdt.

Geheime dienst

Soms heeft Starink misschien iets té veel materiaal en springt ze in kleine stukjes wat snel heen en weer – waarom aan het eind van een rond hoofdstuk over de geheime dienst nog een opsomming van vergiftigingen moet volgen is niet helemaal duidelijk. Maar als compagnon voor het begrijpen van Rusland is het helder geschreven boek toch goeddeels geslaagd. Dat is ook het gevolg van het feit dat Starink niet alleen op zichzelf vertrouwt, maar ook regelmatig de vloer geeft aan relevante sociologen en politicologen, waarvan ze sommigen persoonlijk kent.

Tegen het einde van het boek laat ze een aantal van hen boeiend van mening verschillen over de toekomst van Rusland. Is de internetgeest uit de fles en vraagt de jongere generatie in protesten om minder leugens en meer vrijheid? Starink hoort het politicoloog Jekaterina Schulmann eind 2018 beweren tijdens een debat in een Moskous theater: de Russen zijn door internet klaar voor het moderne leven, en willen nu meer vrijheid van meningsuiting. Schulmann noemt een trits opinieonderzoeken waaruit blijkt de bevolking de rechtsstaat steeds belangrijker vinden. Maar even verderop blijkt de socioloog Simon Kordonski er heel anders over te denken. Nee, zegt hij, de moderne democratie zal Rusland nooit bereiken: het cliëntelisme uit de Sovjettijd zit overal, de machtsbelangen zijn te groot en de strijd tegen „middelmatige bureaucraten zal ook na Poetin moeilijk te winnen zijn”.

Het zijn prikkelende gedachtes, en het is goed dat Starink ze opschrijft, al is het maar om te laten zien dat het debat over de toekomst van de Russische maatschappij op zijn minst in kleine kring volop leeft. Maar wijs genoeg gaat ze uiteindelijk niet mee in een optimistische of pessimistische voorspelling. Ook daarvoor is Starinks blik te panoramisch: ze heeft al vaak genoeg meegemaakt dat de toekomst van Rusland volslagen onduidelijk was – en de geschiedenis recht voor haar ogen een afslag nam die ze totaal niet had verwacht.