Opinie

Als extremistische toetsenbordridders echte wapens in handen krijgen

Internethaat Omvolkingstheorieën slaan niet alleen aan bij ‘verwarde’ mensen, schrijft Nikki Sterkenburg. Virtuele haat werkt verslavend.

Getty Images/beeldbewerking NRC

Met bomberjacks, kistjes, vlaggen en spandoeken schreeuwend demonstreren: het is het klassieke beeld waaraan veel mensen denken als het over rechts-extremisten gaat. En oh ja, er zijn natuurlijk ook nog extremistische trollen op internet die racistische bagger verspreiden: sneue toetsenbordridders die alleen thuis vanachter een beeldscherm iets zouden durven.

Maar de stap van een beetje rommelen op internet naar het consciëntieus voorbereiden van een aanslag waarbij in de echte wereld doden vallen lijkt minder groot dan we lang voor mogelijk hadden gehouden.

Ruim een week geleden kwamen in Hanau tien mensen om het leven nadat een schutter het vuur had geopend op twee shishalounges. Die aanslag staat niet op zichzelf, maar past in een langere rij met onder meer Anders Breivik (Oslo en Utøya, 2011, 77 doden), Brenton Tarrant (Christchurch, 2019, 51 doden) en Stephan Balliet (Halle, 2019, 2 doden). De daders waren geen lid van klassieke rechts-extremistische organisaties en hebben allen gemeen dat ze in manifesten verwijzen naar de ‘omvolkingstheorie’, het idee dat de bevolking van westerse landen ‘vervangen’ wordt door mensen met een migratie-achtergrond.

Al snel dook weer de valse tegenstelling op: is het een verwarde man of is het een terrorist? Maar het vasthouden aan het idee dat iemand slechts verward was, leidt tot een gevoel van schijnveiligheid. Verwarde mensen kun je immers behandelen en dan hoef je verder niet meer na te denken over waar ze hun inspiratie vandaan halen.

Geen kalifaat

Het lastige aan rechts-extremisme is dat er geen eenduidig profiel is van de mensen over wie we het hebben. Dat heb ik de afgelopen jaren wel geleerd. Er is geen kalifaat of overkoepelend Al-Qaida-achtige organisatie die de daders enigszins bindt. Het landschap is een mozaïek van verschillende netwerken, groepen, persoonlijkheden, opvattingen, ideologieën, narratieven en doelen.

Lees ook dit interview met de Duitse advocaat Mehmet Daimagüler: ‘Extreem-rechts is een deel van ons geworden’

Toch zijn er patronen te ontwaren, ook onder de Nederlandse rechts-extremisten die ik voor mijn onderzoek sprak.

Ten eerste is er een groep die zeer ‘ad hoc en intuïtief’ bij het rechts-extremisme terecht is gekomen. Zo is de een gaan demonstreren toen het niet lukte om de komst van een moskee via de gemeenteraad tegen te houden, belandde de volgende al op jonge leeftijd in de skinheadscene omdat zijn buurjongen er ook in zat, en wil weer een derde vooral een strijdvaardig tegengeluid laten horen als reactie op aanslagen uit jihadistische hoek. Om uiteenlopende redenen treden ze toe. Maar de meesten komen pas in aanraking met ideologie wanneer ze hun nieuwe subcultuur leren kennen – al blijft het vaak bij oneliners als ‘grenzen dicht!’. Van fascistische denkers als Arnold Meijer (1905-1965) hebben de meesten nog nooit gehoord.

Rassenleer

Daarnaast is er ook een groep van ‘ideologische zoekers’, wier zoektocht vaak op internet begint. Het cliché wil: geen enkel kind wordt racistisch geboren. Maar deze categorie bestaat juist uit individuen die er heilig van overtuigd zijn dat ze dat wel zijn. En dat vinden ze een volkomen natuurlijk gegeven. Om hun racisme te onderbouwen, halen ze onder meer gevangenissen als voorbeeld aan: zodra het gezag wegvalt, gaan mensen zich opdelen volgens etniciteit en blijft iedereen zoveel mogelijk bij z’n eigen groep.

Vanuit die overtuiging is het slechts een kleine stap naar de rassenleer. Welk volk heeft welke eigenschappen? Welk ras is het sterkst? Zo wordt er bijvoorbeeld met bewondering naar Japanners gekeken, die als buitengewoon intelligent worden gezien, waarna wordt geconcludeerd dat dit kan worden toegeschreven aan de raszuiverheid. Japanners krijgen immers zelden kinderen met niet-Japanners. Wil je als volk of ras sterk, slim én superieur zijn, dan moet je je vooral niet mengen met mensen met een andere afkomst, zo is de conclusie. En als Mark Rutte in 2018 bij een staatsbezoek aan China de zeventiende-eeuwse jurist Hugo Grotius aanhaalt die de Chinezen „de slimsten van alle volkeren” noemt, dan weten deze ideologische zoekers het zeker: ze hebben gewoon gelijk.

Voor deze groep ideologische rechts-extremisten geldt dat ze zich minder aangetrokken voelen tot bekende, bestaande ‘klassieke’ radicaal- en extreem-rechtse formaties: te veel schreeuwers, het verkeerde soort nationalisme, te weinig intellectueel en te veel ‘moslims versus niet-moslims’, terwijl het om etniciteit zou moeten draaien. En soms worden bestaande groeperingen ook gewoon als te soft beschouwd. Want wat heeft het nu voor zin om twee keer per jaar te demonstreren of ergens met een spandoek op een dak van een gebouw te gaan staan? Maar waar deze rechts-extremisten vroeger dus geen thuisbasis vonden en hun mond hielden omdat ze bang waren voor dorpsgek te worden versleten, vinden ze nu via het internet een virtuele gemeenschap van gelijkgestemden.

Nijntje

Het internet werkt aanjagend. De nieuwe rechts-extremistische netwerken zijn mede hierdoor diffuus, wijdverbreid en allesdoordringend geworden.

Omdat het voor sociale mediabedrijven niet meer mogelijk is om álle dagelijks gedeelde berichten en video’s handmatig te controleren, leunen ze sterk op kunstmatige intelligentie. Dat is handig bij het snel offline halen van gewelddadige content, zoals het Christchurch-filmpje, maar het laat ook veel berichten en video’s met complottheorieën ongemoeid als er geen gewelddadige beelden in zitten. Wie bepaalde kanalen volgt, komt al snel uit bij meer extremere content die daaraan is gerelateerd.

Eenmaal in het algoritme gezogen, krijgt de gebruiker steeds meer van hetzelfde voorgespiegeld. Hoe hardnekkig dat algoritme is, ontdekte ik zelf tijdens mijn promotieonderzoek. Mijn driejarige bleek op een onoplettend moment op de iPad van een Nijntje-filmpje in enkele klikken naar een YouTube-video te zijn gegaan over hoe je een ‘etnostaat’ zou kunnen creëren, en of dit het beste via gedwongen sterilisatie, deportatie of uitroeiing zou kunnen. Zelfs nadat ik al maanden was gestopt met het kijken van extremistische content kreeg ik nog steeds radicaal- en extreem-rechtse video’s aangeboden.

En dat werkt verslavend. In 2017 publiceerde een groep wetenschappers het artikel ‘Addicted to Hate: Identity Residual among Former White Supremacists’, waarvoor ze bijna negentig voormalig rechts-extremisten interviewden. De strekking? Gewelddadige confrontaties, spannende avonturen en dagelijkse dosis haat roepen een fysieke reactie op en werken verslavend. Die fysieke sensatie van haat kan tegenwoordig voor een deel ook online worden beleefd.

Lees ook dit interview met wetenschapsjournalist Angela Saini door Bas Heijne: ‘Er zijn veel mensen die racisme salonfähig proberen te maken’

Doemscenario’s

Een deel van het rechts-extremistische materiaal op internet leunt sterk op de aantrekkingskracht van de omvolkingstheorie. Aanhangers daarvan vrezen dat witte mensen in eigen land op den duur een minderheid worden als gevolg van immigratie en dalende geboortecijfers. Het is een existentiële angst voor het er-als-volk-niet-meer-zijn omdat er straks niemand nog is om kennis, verhalen en goede genen door te geven. En juist omdat het idee van omvolking appelleert aan emotie en doemscenario’s, heeft het nauwelijks zin om te proberen de feiten te weerleggen.

Rondzwerven op internet doet nog iets: het bezorgt de aanhangers van rechts-extremistische samenzwerings- en omvolkingstheorieën een gevoel van superioriteit. Zij zien een vooropgezet plan dat de rest van het volk niet ziet, waarbij Joden het ‘blanke ras’ willen verzwakken of waarbij grootkapitalisten zelf geld verdienen aan oorlogen die ze uitlokken. Aanhangers van de omvolkingstheorie achten niet alleen hun eigen volk superieur, ook binnen de eigen groep zien ze zichzelf als uitverkoren voorhoede – en daar hoef je niet eens zoveel voor te kunnen. Of zoals een aanhanger in het rapport De nieuwe generatie extreem-rechts en haar online schaduw aan onderzoekers van NTAdvies vertelt: „Je hoeft niet goed te zijn in voetbal, dansen of studeren. Je hoeft alleen maar dingen te lezen en te vinden, en dat is erg makkelijk.”

Iedere poging om iets te doen aan de online verspreiding van extremistisch materiaal zal daar worden opgevat als doorgeslagen politieke correctheid en censuur. Uiteraard is vrije uitwisseling van ideeën essentieel voor het functioneren van een democratie, maar wanneer dit uitmondt in haatzaaien of discriminatie en uitsluiting, moet er in ieder geval meer controle en toezicht zijn op de onwenselijke gevolgen ervan. Zeker nu er steeds meer aanhangers en sympathisanten van deze theorieën bijkomen, en zich niet alleen in de virtuele, maar ook in de echte, offline wereld laten horen.

Verslavend effect

Het is dan ook veel te makkelijk om te denken dat omvolkingstheorieën enkel aanslaan bij mensen die ze niet allemaal op een rijtje hebben. Aanslagen als Hanau worden te vaak gereduceerd tot daden van een ‘verward persoon’, terwijl deze daders wel degelijk manifesten schreven om hun daden te rechtvaardigen en zelf het gevoel hadden dat ze door andere mensen werden gesteund.

Wat echt nodig is, is meer onderzoek naar het verslavende effect van extremistische internetnetwerken. Waarom en hoe beginnen bepaalde boodschappen te circuleren, bij welke mensen vindt dit weerklank, en wat doen deze netwerken met de sociale cohesie en het democratische gehalte van een samenleving? Daar zijn werelden te winnen.

Met medewerking van Beatrice de Graaf

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.