Zou dat briljante van Sokrates ook zijn voortgekomen uit het wandelen?

Wandeldenken Wie wandelt, bevrijdt zich soms ineens van de vaste paden van zijn gedachten, schrijft Marjoleine de Vos. „Opgetogen kom je thuis: ik wéét wat ik ga doen!”

Foto Simon Lenskens

Februari, harde wind, waterige zon, sneeuwklokjes. In de verte voel je het voorjaar hummen, waardoor de nattigheid op de weg of de grauwheid van de velden toch iets beloftevols hebben. Het zal weer komen! Wat-het-ook-is. Voorjaar en alles wat je daarmee bedoelt.

Op een grasveld liggen een paar houten paaltjes met scherpe punten, bedoeld om, ooit, de grond in te gaan.

Zo’n punt slepen Odysseus en zijn makkers ook aan die grote paal die ze in het oog van de cycloop stootten, denk ik langslopend. Hu. Gruwelijk beeld. Het wordt uitvoerig beschreven: hoe ze die punt scherp en hard maakten en hem toen de reus sliep in zijn enige oog boorden. Vlak daarvoor lazen we hoe de menseneter een van Odysseus’ reisgenoten pakt en tegen een rots stukslaat zodat de hersens in het rond spatten. Die cycloop is echt niet iemand om rustig bij in de grot te blijven zitten.

Toch, als hij blind gemaakt is, en hij staat hulpeloos te roepen om de andere cyclopen, heb ik altijd medelijden met hem.

Onzin, zeg ik tegen mezelf.

Maar, zeg ik terug, hij is toch soms ook aandoenlijk? Bestaat er niet ook een verhaal waarin hij verliefd is en met zijn grote handen bloemetjes plukt voor een nimf die hem vervolgens keihard uitlacht?

Oepf. Meteen weer zo’n zinkend gevoel in de maag om die ongewapende, verliefde maar onaantrekkelijke reus. Medelijden trekt zich eigenlijk nergens iets van aan, bedenk ik. We denken wel eens dat het een ethisch gevoel is, maar dat is het helemaal niet. Het is volstrekt momentaan en onwillekeurig. Toch iets om eens over na te denken.

Zo gaat het als je wandelt. Het ene moment loop je zachtjes in jezelf te lachen en zeg je hardop ‘Heerlijk!’ omdat je het voorjaar meent te ruiken en te voelen, je springt monter over een plas, en dan ineens heb je gedachten over medelijden. Zo vrij als een hoofd is, als het door de wereld wordt gedragen door twee wandelende beentjes. Hoe komt dat toch?

Beweging maakt het hoofd altijd wel vrijer, ook als je die beweging niet zelf veroorzaakt. Als je uit het treinraampje zit te staren heb je makkelijk allerlei gedachten, veel meer dan als je in een wachtkamer naar een witte muur zit te koekeloeren. De gedachten houden niet per se verband met wat je ziet, maar als je niets ziet, komen de gedachten ook niet zo vrijmoedig tevoorschijn.

Dat lopen goed voor ons is weten we zo langzamerhand wel. Zitten is het nieuwe roken, gilt men ons van alle kanten toe, wat nogal een deprimerende mededeling is in een tijd waarin het meeste werk bestaat uit stil op een stoel zitten en naar een beeldscherm staren. De Ierse neurowetenschapper Shane O’Mara zei het laatst bij NRC: „De zorg om eten hebben we niet meer. Maar we hebben wel een heel andere zorg, die van het volkomen gebrek aan beweging. (…)We leiden een zittend leven op kantoren achter beeldschermen. Sterker nog: we hebben onze wereld en onze leefstijl zo ingericht dat er geen noodzaak is voor bewegen. Terwijl wandelen de grootste probleemoplosser is die er bestaat.”

Dat al dat zitten onnatuurlijk en verkeerd is kan iedereen zelf wel voelen, maar hoe het tegen te gaan als je werk nu eenmaal af moet, is minder duidelijk. Vooral omdat de computer waar je naar zit te staren ook de grote afleidingsmachine is die je alleen maar langer op je plaats houdt en die bovendien volstrekt geestdodend is – nieuwe ideeën tijdens het zappen krijg je zelden. Wie iets wil oplossen kan ontzaglijk veel beter een blokje omgaan dan op internet gaan rondrommelen, tenzij je gewoon zoiets als een handleiding zoekt. Ja! Zeker! Maar intussen blijf je mooi zitten want-dit-moet-af.

Wandelen is een uitvinding. Mensen die voor hun werk aldoor aan het sjouwen zijn, die zich van akker tot akker moeten verplaatsen, die te paard de post rondbrengen of zoiets, gingen en gaan niet wandelen. Pas in de 18de eeuw begonnen mensen te wandelen omwille van het wandelen zelf, niet om van de ene plaats naar de andere te komen. Toen ook kon Rousseau zo beroemd zeggen dat-ie niet kon denken zonder te wandelen en vice versa.

Foto Simon Lenskens

Sokrates wandelde ook al, maar die ging dan weer niet speciaal de natuur in om daar eindelijk eens te genieten van alles wat het moderne leven hem af had genomen. Wel sprak hij vaak al lopend met zijn gespreksgenoten die, althans in de weergave van Plato, niet veel meer deden dan in zijn vallen trappen waardoor ze steeds moesten zeggen: „dat is zo, Sokrates” en hij dan weer „En ben je het dan ook met mij eens dat…” en zij soms nog wat sputteren maar aan het eind had-ie ze allemaal klein gewandeld. Zou dat briljante van Sokrates ook zijn voortgekomen uit het wandelen?

Wat men ook voor gunstigs zegt over de betere doorbloeding van het hele lichaam, de toename van de hippocampus, het betere geheugen, de bescherming tegen Alzheimer, het algemeen welbevinden enz., dat kan allemaal zo zijn, maar dat vrije denken tijdens de wandeling ervaar je toch vooral als je alleen bent en in jezelf.

Als het lichaam eenmaal goed op gang is – en je dus niet meer denkt aan of je schoen knelt, of je wel zin hebt om zo’n eind te lopen, dat het koud is, rotweer ook, dat je eigenlijk niet zoveel tijd hebt – raakt het hoofd vrij. Je kijkt, soms nauwelijks bewust, soms uitgesproken borend, je loopt alsof het niets is en je gedachten gaan hun gang. Niet altijd naar je zin natuurlijk, soms blijven de gedachten ellendig doormalen tijdens de wandeling en wacht je op bevrijding – een bevrijding de je niet opmerkt maar achteraf ineens vaststelt: „Hé, nu heb ik al een poosje helemaal niet aan mijn toekomst gedacht!”

Alles is in evenwicht als je goed wandelt, je kunt naar je gevoel wel uren lopen (al blijkt soms al na drie uur dat de energie écht op is), je hebt het behaaglijk, er is van alles te zien en te denken. „Ik liep het aan te zien/ bang en tevreden,/ mijn voeten als goede lien/ liepen beneden”, schreef Herman Gorter. Zo kan het precies zijn. Beneden de voeten, boven het hoofd.

Als je dat een poos gedaan hebt en je gaat dán ergens zitten – in de winter ergens bij een vuur of als het warm genoeg is op een bankje of een steen, in liefst iets van zon – dan houden de hersenen er echt niet meteen mee op. Integendeel. Zorg dat je een aantekenboekje bij je hebt, de gedachten stromen nu volop.

Foto Simon Lenskens

Ik denk dat Sokrates eerder ná het wandelen zijn slimme gesprekken voerde. Al kan samen wandelen ook wel tot een dieper soort gesprek leiden, als je alletwee in de cadans bent geraakt en niet zwetend loopt te klimmen of zo. Het wandelen zelf gaat ook licht en makkelijk als je zo’n echt gesprek voert. Je hoeft elkaar niet aan te kijken, vaak ook een voordeel voor een gesprek (denk ook aan praten in de auto), je hoeft niet steeds iets te zeggen, en dan komen er soms echte dingen. De echtste (als die categorie zou bestaan). Zoals je ook tijdens het wandelen ineens iets kan begrijpen over je eigen gedrag, bijvoorbeeld, of een oplossing hebt gevonden voor een moeilijk probleem zonder dat je nu zo hard bezig was aan dat probleem te denken – je hebt je alleen maar bevrijd van de vaste paden van je gedachten. Misschien is het dat, dat door de inspanning, de afleiding, de vrijheid, de gedachten ook maar eens helemaal uit zichzelf een andere weg in slaan. Soms heb je zo vrij gefantaseerd dat je voelt dat je je leven wel degelijk kunt veranderen en kom je opgetogen thuis: ik wéét wat ik ga doen!

Lees ook: Een warm pleidooi: ga toch lopen

Mensen die buiten wilden gaan wonen heb ik ook altijd voorgehouden dat ze dat vooral moesten doen vanwege het wandelen. Dat er niets heerlijkers is dan je voordeur uit lopen en buiten zijn, dat als je helemaal kromgetrokken met drooggevallen hersenwerking achter je scherm zit, je op kunt staan, je laarzen aandoen en naar buiten gaan. Wat voor weer het ook is. Wat geeft het als de regen op je capuchon slaat, je hoofd zit daaronder en het is meteen allerlei montere dingen gaan denken als: ik word niet nat, gezellig geluid dat gerikketik, die musjes hebben zich daar goed verstopt, heeft Sokrates nu gelijk met zijn bewering dat je beter geslagen kunt worden dan te slaan? Het klinkt een beetje al te braaf, maar als je erover nadenkt – en je denkt erover na, en je spoelt de modder van je laarzen af in een plas en je vergeet je toekomst en je beeldscherm en je komt thuis en je voelt je een Griekse filosoof. Vol gedachten. Briljante.