Recensie

Recensie Theater

Wat Van der Velden wil vertellen, blijft lang onduidelijk

Theater De tweede show van Benjamin van der Velden is een poging tot diepgang, maar schiet alle kanten op. Totdat hij het echt over iets durft te hebben.

Benjamin van der Velden.
Benjamin van der Velden. Tim Hillege

Zou hij in zijn jonge jaren eindeloos André van Duin hebben geïmiteerd? Benjamin van der Velden heeft net als de jonge Van Duin een scheve mond en rolt eindeloos met zijn ogen, soms lijkt hij waanzinnig. En misschien is dat ook waar zijn verhaal over gaat, over de waanzin die hem overvalt als het dagelijks leven aan hem voorbij trekt. Misschien, want eigenlijk is na het zien van zijn solo volstrekt onduidelijk wat Van der Velden wil vertellen. Ruim een uur neemt hij ons mee naar het voormalige Oostblok, naar een bankje bij de grensovergang tussen Wit-Rusland en Polen, een soort niemandsland waar hij zich prettig voelt. Prettiger dan in Utrecht waar hij kort vóór die terreuraanslag een paniekaanval kreeg waarin-ie bijna bleef.

Paniekaanval

Tot zover de rode draad van zijn voorstelling, die verder aaneengeregen wordt met flauwe, net niet grappige vertellingen, eindeloos veel herhalingen en net niet ontroerende liedjes. Van der Velden improviseert gemakkelijk, is muzikaal en weet de mineurtoetsen op zijn vleugel goed te vinden, maar veel liedteksten zijn tekstueel niet sterk en hangen aan één vondst die een liedje lang uitgesponnen wordt. Op zo’n moment is een beetje melancholisch pianospel niet genoeg. Van hetzelfde laken een pak bij zijn conferences: er zit wel wat in, er is een vermoeden van diepgang, maar het ontspoort of is richtingloos. Pas als hij heel realistisch zingt over zijn paniekaanval in de bus, houdt-ie de aandacht vast. „Ben, je zit gewoon in de bus, er is niets aan de hand. De mensen in de bus zitten gewoon in de bus mens te zijn”, zingt hij en opeens, een kwartier voor het slotakkoord, gaat zijn show echt ergens over.