Er is zo veel te zien: ook op lelijke plekken vind je iets idyllisch

Landschap Het liefst wandelen we in prachtige natuur, het is de kunst om ook op lelijke plekken iets idyllisch te vinden.

Foto Simon Lenskens

‘Het is natuurlijk niet zo mooi als bij jullie”, zeg ik verontschuldigend tegen de twee Nieuw-Zeelandse logés, terwijl we onze wandelschoenen aantrekken. We staan bij de ingang van een van mijn lievelingsgebieden in Nederland: de Amsterdamse Waterleidingduinen. Ik houd van het ruige, kale landschap, van de glooiingen, van de struinpaadjes. Mos, zand en water. Maar vandaag zie ik opeens wat er allemaal níét is. Geen gletsjers. Geen watervallen. Geen bergtoppen. Geen exotische kiwi-vogels. Het voelt alsof ik een goede vriend verloochen wanneer ik toevoeg: „Het Nederlandse landschap verdient niet echt een schoonheidsprijs.”

Met elke stap voel ik wroeging. Vanuit de bosjes staren damherten me verwijtend aan – ‘wíj niet mooi?’ De zon geeft de duintoppen een gouden gloed, in de verte roffelt een grote bonte specht. Mijn vrienden zijn enthousiast, en stukje bij beetje kan ik óók de schoonheid weer zien. Maar de vraag blijft door mijn hoofd spoken: wat maakt een landschap mooi? En: bestaan er überhaupt lelijke wandelingen?

In NRC stond vorig jaar een interview met milieugeograaf Koen Tieskens, die in kaart had gebracht wat mensen de mooiste landschappen in Europa vinden. Daarvoor analyseerde hij vakantiefoto’s op internet: welke plekken werden het vaakst gefotografeerd? Vooral de Alpen en de Pyreneeën scoorden hoog: natuurlijke landschappen, door de computer gelabeld met termen als ‘bergachtig’, ‘hoogland’ en ‘wildernis’. Uit ander onderzoek blijkt dat ook cultuurlandschappen mooi worden gevonden, zegt Tieskens in dat interview, maar dan wel specifieke, gevarieerde landschappen: „Agrarische landschappen die eruitzien zoals in de negentiende eeuw, voor de industrialisatie van het platteland: kleinschalige boerenbedrijven, velden omringd met heggen of bomen met aan de horizon de kerktoren van een dorpje.”

Afwisseling lijkt het sleutelwoord, ook voor de wandelaar. Liever een beekje én wat bomen én een open vlakte én een boerderij langs de route dan alleen eentonig bos. Toch zitten er grenzen aan die zucht naar afwisseling: niet elk gebied sluiten we rücksichtslos in ons hart. Alleen al het feit dat we favoriete landschappen kunnen aanwijzen, impliceert dat er ook no-go-areas zijn. Wie gaat er graag wandelen op industrieterreinen? Welke route voert langs megastallen? De invloed van de mens mag zichtbaar zijn, maar te modern moet het niet worden.

Nostalgie naar voorbije schoonheid

„De wandelaar valt niet altijd samen met de natuurkijker”, schrijft journalist Caspar Janssen in zijn onlangs verschenen boek Caspar loopt. „Het valt vol te houden dat Nederland een wandelparadijs is. Een groot netwerk aan wandelpaden, duizenden wandelroutes en een decor dat na iedere bocht kan veranderen. (…) Als je op natuur let, en op de context waarin die wandelpaden zich bevinden, dan is het anders. Dan denk je al snel: het is klein, kwetsbaar en weinig, en het is ingebed in een zee van verkeer, industriële landbouw, bedrijventerreinen, nieuwbouwwijken en recreatievoorzieningen.”

Soms is het oppassen dat die laatste blik tijdens het wandelen niet de overhand krijgt. Dat we het landschap niet te veel bekijken zoals we onszelf in de spiegel bekijken: kritisch, speurend naar onzuiverheden. We zien van onszelf elke rimpel, elk pukkeltje, elke lovehandle. We vergelijken onszelf met foto’s van tien jaar geleden en denken: tóén was ik nog knap, waarom zag ik dat niet?

Net zo goed verlangen we terug naar lang vervlogen landschappen. In die door mij zo geliefde Waterleidingduinen werd onlangs een kanaal gedempt. De waterstroom waarlangs ik ruim drie decennia wandelde is niet meer, en nog elke keer wanneer ik over de nieuwe zandvlakte wandel, steekt het.

Nostalgie naar voorbije schoonheid: in natuurtermen heet dat ‘landschapspijn’. Journalist Jantien de Boer schreef er een mooi boek over, waarin ze in gesprek gaat met boeren over het huidige agrarische landschap en over het landschap van weleer. Een van die boeren noemt het een huilerige term, en benadrukt dat de schaalvergroting in de landbouw niet overál leidt tot een achteruitgang van insecten. „Op zomeravonden moet je bijna met je ogen dicht over het fietspad van Oudega naar Workum fietsen. Zoveel muggen.” Sommige dingen, wil hij maar zeggen, veranderen niet.

Toch verlangen we terug naar het landschap dat we kennen uit onze jeugd, of liever nog uit verhalen van onze grootouders. Eén grote pastorale idylle. Of niet? Die historische, agrarische landschappen die wij nu zo bijzonder vinden, waren gewoon het werkterrein van onze voorouders – geen pittoreske plek om naartoe op vakantie te gaan.

In zijn boek Natuur in mensenland schrijft filosoof Martin Drenthen: „Op dit moment in de geschiedenis is er echter nog maar weinig oorspronkelijke natuur over, waardoor we niet langer beschikken over een duidelijk ijkpunt of een basislijn voor wat echte ‘natuur’ is. Het gevolg is dat mensen allerlei ongefundeerde ideeën hebben over hoe ‘echte’ natuur eruitziet.” Op de voorkant van zijn boek staat, heel toepasselijk, een foto van de Oostvaardersplassen: konikpaarden op de voorgrond, daarachter een voorbijrazende trein, een windmolen en een hoogspanningsmast.

Mensen trokken pas eind achttiende eeuw voor hun plezier de bergen in

Schoonheidsidealen veranderen door de eeuwen heen – niet alleen in de mode en in de kunst, maar ook in het landschap. Waar we graag wandelen kan verschillen van generatie tot generatie. Zo schrijft de Britse auteur Robert Macfarlane in zijn boek Mountains of the Mind hoe mensen pas eind achttiende eeuw voor hun plezier de bergen introkken. Vóór die tijd stond wilde natuur gelijk aan gevaar, en werden bergtoppen vooral bewonderd van een afstand. Natuurlijk, af en toe was er wel een dappere ziel die de bergen in trok – zoals de avonturier John Dennis die al in 1688 in de Alpen ging wandelen. Maar pas tijdens de Romantiek leidde de hang naar het ‘sublieme’ – naar de grootsheid, de woestheid van de natuur – ertoe dat mensen op grote schaal de bergen in gingen voor het avontuur. De Britse dichter Samuel Taylor Coleridge omschreef zelfs hoe hij verslaafd raakte aan het gevoel van hoogtevrees. De diepte zorgde bij hem tegelijk voor angst en aantrekkingskracht, en hij bedacht zelfs ‘een nieuwe vorm van gokken’: hij koos een berg uit om te beklimmen en in plaats van die vervolgens zo voorzichtig mogelijk weer af te dalen, nam hij de meest directe route naar beneden – soms met gevaar voor eigen leven.

Duizelig van een mooi landschap

Toen ik het verhaal van Coleridge las, dacht ik terug aan de keer dat ik als kind op de reling van een Franse brug was geklommen. Gewoon, omdat het zo’n mooi, antiek stenen bruggetje was, dat een nauwe kloof van honderden meters diep overbrugde – die spannende schoonheid fascineerde me. Dat mijn ouders, die een eindje achter me liepen, gek van angst werden toen ze dat zagen, dat ik zou kunnen vallen, daar stond ik niet bij stil. Zo bezien kan wandelen in een mooie omgeving zelfs leiden tot een milde vorm van waanzin, vergelijkbaar met het Stendhal-syndroom – de psychische toestand die museumbezoekers soms ervaren. Ze kunnen dan zó bevangen raken door de schoonheid van een kunstwerk dat ze hartkloppingen en duizeligheid ervaren en zelfs kunnen flauwvallen. Caspar Janssen refereerde hieraan in een van zijn eerdere boeken, Ontpopt. Voor hem was het niet de David van Michelangelo waardoor hij buiten zinnen raakte, maar de Millingerwaard bij Nijmegen. „Ik kijk uit over een eindeloze vlakte. Tot zover het oog reikt bloeiende planten, struweel, een enkele boom. Het begint me te duizelen. Ik ga zitten en haal een paar keer diep adem. Wat is er aan de hand? Het is vreemd, het lijkt wel alsof het hele megabestand Millingerwaard in een keer wordt gedownload in mijn hoofd, niet een plantje of een vogeltje hier of daar, maar de schoonheid van het geheel.”

Foto Simon Lenskens

Zoals een mooi landschap duizelig kan maken, zo kan een lelijk landschap agressie oproepen. Vorig jaar zomer nog werden in de regio Gooi- en Vechtstreek tientallen paaltjes vernield die deel uitmaakten van een nieuw wandelnetwerk. Vermoed werd dat de vandalen wandelaars waren die zich stoorden aan het nieuwe plastic – alleen was van plastic geen sprake. De paaltjes waren juist gemaakt van recyclebare biohars, kalk en riet.

Leed door ingebeelde lelijkheid

Natuurlijk, het ene landschap is eenvoudiger te aanbidden dan het andere. Maar we moeten ervoor waken dat landschapspijn niet ontaardt in landscape dismorphic disorder: leed door ingebeelde lelijkheid. Soms voert een wandelroute door de bebouwde kom, of ruik je mest van een megastal, of klinken er in de verte voorbijrazende auto’s. Maar we doen onszelf tekort als we ons alleen concentreren op de stoeptegels, en niet op de groene sprietjes die ertussen groeien.

Al wandelend kun je naar believen inzoomen en uitzoomen op de omgeving, en op elk schaalniveau is wel iets moois te zien. Een lieveheersbeestje dat opvliegt uit een heg, het silhouet van een boomkroon tegen de blauwe lucht, voorbijdrijvende wolken. Zelfs als je je ogen sluit, kun je nog genieten van een landschap: zingende vogels, op blote voeten door het gras, een lentebriesje langs je wang. En met een beetje verbeelding klinkt die snelweg net zo meditatief als een ruisende rivier.

Journalist Mark van Wonderen bepleit in zijn onlangs verschenen boek Treurtrips zelfs om juist de schoonheid van lelijke plekken vast te leggen. Of, zoals op de achterflap staat: „Nederland is een mooi land, maar wel een heel erg aangeharkt land. (…) Daarom moeten we de plekken omarmen die zich niks van die Hollandse regelzucht lijken aan te trekken. Gebouwen die heerlijk onbekommerd staan weg te kwijnen, verloederde winkelcentra waarvoor nog geen grootscheepse renovatieplannen zijn opgesteld en badplaatsen die eens iets van grandeur moeten hebben uitgestraald, maar waar nu alleen de snackbar nog goede zaken doet.”

Lees ook: Wie maken de routes voor wandelingen?

Misschien moeten we nóg een stapje verder te gaan, en stoppen met denken in termen van ‘mooi’ en ‘lelijk’. Daarbij kan het helpen om de geschiedenis, de geologie, de biologie van een plek te leren kennen: verhalen die het landschap met zich meedraagt.

Martin Drenthen benadrukt in zijn boek hoe die ‘leesbaarheid’ van het landschap kan meespelen in de mate waarin we onze omgeving waarderen. „Dat een landschap ook als mooi, lelijk, sprookjesachtig, afschuwelijk, triest, leeg, mysterieus of indrukwekkend kan verschijnen, kan vanuit deze visie enkel worden gezien als subjectieve waardeoordelen achteraf, die niet met het lezen van het landschap zelf te maken hebben.”

Het landschap heeft geen botox nodig, of filters op Instagram. Puur natuur is wandelen het leukst.