Vlootschouw 2.900 historische woonboten is nu al spannend

Varend erfgoed Amsterdam Is die woonboot in de gracht wel of niet van grote waarde voor de stad? Dat gaat de gemeente nu bepalen. Het beeldbepalend maritiem erfgoed van Amsterdam moet behouden blijven.

„Elke schipper vindt zijn boot belangrijk”, zegt Stijn van Aalderen van het historische beurtschip ‘De Hoop’, dat in de Amsterdamse Museumhaven ligt. Het schip dateert van 1903. De gemeente beseft dat ze een kostbaar bezit aan boten in de gracht heeft drijven, maar er is eigenlijk geen beleid voor. Hoe moet je die collectie behouden, beschermen? Wat maakt een schip bijzonder?

Stijn van Aalderen in de Museumhaven op zijn schip ‘De Hoop’, een motorschip uit 1909. Foto Aziz Kawak

Een aantal onafhankelijke deskundigen maakt nu een inventarisatie, een soort vlootschouw, van de 2.900 woonschepen die de stad telt, waarvan er wellicht duizend in aanmerking komen voor het predikaat ‘historisch’. Wie weet komt er een top 5, 100 of 500 van waardevolle schepen in de stad. In elk geval is de gemeente uit op behoud van maritiem erfgoed, dat ze beeldbepalend acht voor het aanzien van Amsterdam. Voor nu heeft de gemeente geen voornemen om regelgeving of subsidie voor historische woonboten in het leven te roepen, maar de inventarisatie kan daarin verandering brengen.

In de jaren zestig beleefde waterstad Amsterdam „een fascinerende tijd”, zegt woonbootbewoner en scheepsrestaurateur Piet Dekker van de Krommenie 1 uit 1926. Hij ligt vlak naast ‘De Hoop’ in de Museumhaven in het Oosterdok, tegenover het Scheepvaartmuseum. „In die tijd nam het vrachtverkeer over de weg toe en werd de scheepvaart steeds meer overbodig. Schepen werden gesaneerd, ofwel gesloopt.” Tegelijkertijd zorgde de woningnood ervoor „dat vooral hippies op boten gingen wonen”, vertelt Dekker. „Ligplaatsen werden vrijbuitersplekken en schippers heetten weleens ‘waterzwervers’. Wonen op een boot was goedkoop, bood ruimte en schiep het gevoel van onafhankelijkheid. Massaal kwamen de schepen de stad in.”

Ansichtkaart van het schip ‘De Hoop’ van Stijn van Aalderen in aanbouw, op de werf te Roodevaart (Noord-Brabant).

Nu telt Amsterdam 2.900 woonboten. Ruim duizend daarvan komen in aanmerking voor het predikaat ‘historisch’. De gemeente vindt het van belang dat schepen met een cultuurhistorische betekenis het aanzien van de stad blijven bepalen: varend erfgoed dat de maritieme geschiedenis zichtbaar maakt. Uit de in 2016 opgestelde Watervisie Amsterdam 2040 blijkt dat de stad wil inzetten op ‘behoud en bescherming’ van de historische woonboten en daarop haar toekomstige beleid wil afstemmen. Hiertoe wordt een stadsbrede inventarisatie opgesteld van historische woonschepen. Deze heeft een voorbeeldfunctie en kan straks ook toegepast worden in steden als Groningen en Rotterdam (elk 600 woonschepen) en Utrecht (334).

De historische schepen worden ingedeeld in drie categorieën: waardevol, belangrijk, en neutraal. Projectleider Martine van Lier, directeur van het Mobiel erfgoed Centrum (MEC) uit Rotterdam, laat weten dat „deze schouw puur en uitsluitend ter oriëntatie is, waaraan iedereen vrijwillig kan meewerken”. Bij booteigenaren, die vaak hechten aan vrijheid, bestaat echter enige argwaan jegens de overheid en angst voor bemoeizucht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit vaak ingewikkelde regelgeving, telkens veranderende visies en in het verleden zelfs een anti-woonbotenbeleid. Ook vrezen zij dat de status van varend monument restricties tot gevolg heeft voor hun eigendom.

Gerben Rienk Visser op zijn woonboot ‘Geduld Overwint’ in de Herengracht. Foto Aziz Kawak

„Toch is dit niet de bedoeling”, aldus Van Lier. „De gemeente wil juist een positief en ondersteunend beleid.” Met de vraag: ‘Hoe maak je dat beleid?’ richtte de gemeente zich vorig jaar tot het MEC, dat zich inzet voor de culturele betekenis van al het bewegende erfgoed in ons land – van schepen, trams en treinen, auto’s, vliegtuigen. Leidraad bij de beoordeling vormt het Handboek culturele waardering mobiel erfgoed (2015) dat het MEC uitbracht. Daarin staan de belangrijkste criteria waaraan een object dat culturele waardering verdient moet voldoen, zoals leeftijd, cultuurhistorische waarde, bouwjaar en -wijze, zeldzaamheid, gaafheid, functie, technische kwaliteiten, uniciteit en plek in het ensemble van vergelijkbare objecten, maatschappelijke betekenis en authenticiteit.

Van Lier stelde in opdracht van Bureau Monumenten & Archeologie een groep deskundigen samen die in Amsterdam de inventarisatie verzorgt. Dit team bestaat uit Piet Dekker, Nicolien Schwippert, Willem Pit, Titus Dekker en Van Lier zelf, allen eigenaar van een historisch schip. In gebouw De Bazel, waar het Stadsarchief zetelt, vond vorige week een eerste workshop plaats naar bronnenonderzoek van schepen, waaraan zo’n tien belangstellenden deelnamen. Zij speurden, met de experts, in digitale archieven en kregen uitleg. Volgens Van Lier „is het spannend en waardevol de biografie van je schip te kennen, het verhaal achter je schip”.

Toegangsluik tot de machinekamer op de boot ‘Geduld Overwint’ van Gerben Rienk Visser. Foto Aziz Kawak

Er bestaan bij de gemeente gerede zorgen dat veel boten niet zo’n mooie aanblik bieden; ook is men niet meer blij met woonarken die ogen als rechthoekige dozen en wil men de scheepshistorie terug aan de oevers. Volgens Van Lier is „de inventarisatie bedoeld om een overzicht te krijgen van het aantal historisch waardevolle schepen en inzicht in hun betekenis”. Uiteindelijk zal dit resulteren in „een beleidsvoorstel ofwel een ‘menukaart’ voor het beschermen en stimuleren van historische woonboten”.

Minstens 50 jaar oud

Van Lier: „Het omslagpunt kwam na de Tweede Wereldoorlog. Vanaf dat moment konden mensen boten kopen die in serie werden gebouwd, daar zit dus niet veel unieke historie aan. Daarom gaan we er vanuit dat een boot ten minste vijftig jaar oud moet zijn.”

Zo goed als elke boot kent een bewogen geschiedenis. „Als je rekent vanaf de zeilvaart zijn de meest voorkomende schepen in Nederland tjalken en klippers”, zegt Piet Dekker. „Maar toen rond 1900 de dieselmotor werd uitgevonden, gingen de zeilen, mast en zijzwaarden eraf en kwam de motor ervoor in de plaats.” De overheid gaf echter ook aanzet tot een grote opruiming van maritiem erfgoed: schippers kregen een slooppremie als ze hun oude boot lieten omsmelten bij de hoogovens en een nieuw, vooral groter schip kochten.

Foto Aziz Kawak

Helaas neemt de maritieme historiciteit in de hoofdstedelijke wateren af. Om dat te keren is er dus die inventarisatie. „Alles begint”, zoals Piet Dekker aangeeft, „met het brandmerk van het schip, een soort kenteken. Dat is vaak te vinden op het achterdek, gegraveerd met cijfers en letters.”

Het schip ‘De Hoop’ heeft 5313 B ROTT 1932. Met behulp van dit merkteken kon eigenaar Stijn van Aalderen de historie van het schip traceren via sites als Maritiem Digitaal, Stichting Maritiem Historische Data en het S2HO-archief, ofwel de ‘liggers’ van de Scheepsmetingsdienst. Zo kwam hij erachter zijn boot in 1903 is gebouwd op werf Paans te Roodevaart (Noord-Brabant) als een van de eerste motorvrachtschepen van Nederland. Het vervoerde passagiers en olievaten. Destijds hadden motoren niet zoveel vermogen en was het zaak schepen zo gestroomlijnd mogelijk te bouwen. Dat is goed te zien aan de sierlijke lijnvoering ofwel ‘zeeg’.

In 2017 kocht Van Aalderen het in verval geraakte schip, met als doel het te restaureren met behoud van authentieke elementen en met gebruik van traditionele technieken, zoals het klinken van platen staal. In de archieven vond hij zelfs een foto van ‘De Hoop’ op de werf – wat een historische rijkdom.

Ook Delpher, de website waarop 15 miljoen kranten zijn gedigitaliseerd, kan uitkomst bieden om het scheepsverhaal te traceren, bijvoorbeeld over de vroegere schippers, de tewaterlating, de reizen en vaarroutes van het schip, de vracht, eventuele aanvaringen. Facebook en sites van oudheidkundige verenigingen kunnen de belangstellende bootbewoners weer verder brengen. Piet Dekker houdt tijdens de presentatie de belangstellenden voor dat je je moet „inleven in de tijd waarnaar je op zoek bent. Zo berichtten de kranten destijds over de bruggen en sluizen waarlangs het schip voer. Dat is niet vreemd. Schippers hadden geen telefoon. Als de familie op de wal wegens omstandigheden de schipper moest bereiken, namen ze contact op met de brug- of sluiswachter. Die waarschuwde dan de schipper.”

Niet alleen schepen, ook het waterbeleid van zowel de rijksoverheid als de gemeente Amsterdam veranderde voortdurend, laat Gerben Rienk Visser weten, eigenaar van het schip ‘Geduld Overwint’ aan de Herengracht, tegenover nummer 55. Dit schip werd in 1909 gebouwd op de werf Vooruitgang te Gouwsluis bij Gouda en vervoerde vooral grind en zand. Visser: „In de jaren tachtig stimuleerde de gemeente juist de vierkante, betonnen bakken die tot woonboot dienden en moesten de authentieke schepen het liefst de stad uit. Nu is er juist weer liefde en aandacht voor en zijn die betonnen dozen minder geliefd. Ook mochten in die tijd historische details of het historische uiterlijk gerust gemoderniseerd worden, nu liever niet. Dit alles heeft zijn weerslag op het botenbestand.”

Foto Aziz Kawak

Dat de woonschippers en bootbewoners scepsis koesteren jegens de gemeente is niet zo vreemd. Visser laat een formulier uit april 1991 zien, opgesteld door de belangengroep Amsterdams Boten Comité, waarin de leden wordt opgeroepen bezwaarschriften en protesten te sturen tegen de extreme verhoging van de zogenoemde ‘precario’ (havengelden of liggelden) door de dienst Volkshuisvesting. Die wil, aldus het Boten Comité, „harder optreden tegen woonschepen”.

Ook binnenkort valt voor de bootbezitters een verhoging van liggeld te verwachten: in relatief korte tijd is het bedrag per vierkante meter van 6,50 euro naar 9 en daarna 13 euro gestegen – een verdubbeling. Titus Dekker ziet in deze verhoging een gevaar voor de historische woonboten: „Mensen met een kleine beurs kunnen hierdoor de antieke waarde van hun boten minder goed waarborgen. Wie veel geld heeft, koopt een gloednieuwe boot die op het oog misschien een historisch schip lijkt, maar het is nep-historie.”

Interessant detail is dat tal van woonbootbewoners zorgvuldig zelf hun boot hebben gerestaureerd. „Als het kan, gaan ze terug naar het ‘jaar van geboorte’”, zoals Piet Dekker het noemt. Bronnenonderzoek kan daarbij een steun zijn. Wie weet tref je in de registers foto’s aan, beschrijvingen, meetbrieven (certificaten van de bouw van een schip) of meer gedetailleerde informatie.

Het schip ‘Geduld Overwint’ in de Herengracht. Foto Aziz Kawak

De inventarisatie is tijdrovend: wegens privacywetgeving mogen er geen namen, telefoonnummers of andere contactgegevens worden verstrekt. Dus is het team varend door de grachten langs de schepen gegaan, bezocht de schippers, knoopte een gesprek aan of liet een brief achter met verzoek tot deelname. Nog voor de zomer moet dit zijn afgerond. De gegevens gaan naar de gemeenteraad die het beleid gaat formuleren.

Het zal erom spannen welke boten straks de classificatie ‘waardevol’, ‘belangrijk’ of ‘neutraal’ toegedicht krijgen. In elk geval maakt deze schouw duidelijk dat veel booteigenaren „met liefde en aandacht de maritieme geschiedenis van Amsterdam in stand houden. Zij laten de band zien tussen stad en water.”

Workshop ‘Historische woonboten. Samen met experts speuren naar de geschiedenis van je schip’, zaterdag 7/3 van 14.00 - 16.00 uur, Stadsarchief Amsterdam, De Bazel, Vijzelstraat 32. Inl: amsterdam.nl/varenderfgoed

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.