Een wandeling rondom de kop van Texel

Wandelroute Een wandeling rondom de kop van het eiland. Startpunt: De Cocksdorp, afstand: 13 kilometer.

Storm Ciara is gaan liggen en Dennis ligt op de loer. Dat betekent wandelen in dubbele stilte: die van na de storm en die van ervóór. En dat is heerlijk. Het enige rumoer wordt verzorgd door een vloot bakkeleiende ganzen en wat kibbelende eenden in de plassen. Het wolkendek geeft ruimte aan plekjes smurfblauw. De twijgen wiebelen in een briesje.

Achter de versleten duinenrij in de verte licht de ochtendhemel op boven de zee – dat is nog ver, vergeet de zee, die is voor straks.

Want Texel is meer dan strand. Het is deel van het sinds 2009 officieel tot Unesco Werelderfgoed verklaarde wetland aan de Nederlands-Duits-Deense kust die wordt ingekleurd door het unieke biologische ecosysteem van de Waddenzee.

En daar is het goed wandelen, ook in het voorbarige voorjaar. Er bloeien karrevrachten sneeuwklokjes in de bermen langs het kale hout van de bosstrook. Samen met zwerfnarcissen in de knop en hier en daar een, altijd gele, krokus fleuren ze de braamstruiken op, waar de zachte winter alle fut uit heeft opgesoupeerd.

De route stuurt het weiland in. Daar waarschuwt een bordje: ‘Pas op. Loslopende stier’, met een foto van een wit gevaarte. Er is geen stier te bekennen. Misschien doemt hij nog op? Doet hij niet. Het kleddernatte grasland kan veilig van hekje naar hekje worden doorkruist, tussen plassen en geulen, gevolg van de excessieve regenval van afgelopen maand. Het land is helemaal leeg, er zijn zelfs geen schapen. Weidevogels zijn er ook niet. Wel een afgekloven reigervleugel, hier smulde een vosje.

Aan de andere kant van de provinciale weg begint het Nationaal Park Duinen van Texel, met bobbelige paden tussen neergezegen helmgras. De befaamde getijdenvallei De Slufter sla ik over, die is onbegaanbaar, want in de storm overstroomd.

Hier zijn de duinen laag. Toppen zijn er nauwelijks, dit is een landschap waar het ventiel van is losgedraaid. De ruige vorm van de geplooide vlakte is goed te zien. De struiken zijn naakt, hun silhouet bestaat uit prikkels en punten. Achterin steekt de rode Eierland-vuurtoren zijn vinger op, omringd door lage huizen met pannendaken.

Ik hoor helikopters, maar ook de zee. In een magisch moment verschijnt hij ineens achter het duin, zich verstrengelend met de hemel. Het strand is breed en nat, het is eb. Schel zonlicht schijnwerpert in de zandribbels aan de vloedlijn. Hier zou een zeehond zijn kop op kunnen steken, maar die laat het afweten. Honderden kleine meeuwen beginnen te tieren. Ze vliegen op en landen met zijn allen twintig meter verder. Ze waaien van hun pootjes in de harde wind.

Achter het noordpunt van het eiland verdwijnt de wind weer. Daar zweeft een dikke hommel, hij wijst de weg naar De Cocksdorp.