Recensie

Recensie

De Toyota Supra is een reconstructie van de eeuwige jeugd

Autotest De Supra moet een fantasie acteren, schrijft . Al moet hij natuurlijk wel behoorlijk rijden. Dat doet-ie.
Toyota supra
Toyota supra Foto Merlijn Doomernik

De Toyota GR Supra is een sportwagen voor mannen met een kinderziel. Die wensen zich, als de verdrongen resten van hun puberteit gaan zweren in hun uitdijende lijven, vroeger of later iets leuks voor erbij. Wij noemen dat de inhaal- of reservejeugd. Jongens van 30 kopen een tweedehands Mazda MX5, mannen van veertig een geklede BMW Cabriolet, vijftigers met een kokette ik-kon-het-niet-laten-zucht hun eerste 911. En dan maar pseudoscheuren dat het een aard heeft, ter compensatie van afnemende krachten, in een land waar het niet kan. Het formaat van de boy toy groeit met budget en leeftijd. Klein in de gezellenjaren, groot in de bewogen schemertijd richting pensioen, dat wacht met suv’s en begeleide kunstreizen.

Die sportauto moet speelgoed zijn. Dat zijn de voorbeelden alle drie net niet. De MX5 is te bescheiden, een 911 te serieus, de BMW te pompeus. De kunst is een idioom te vinden voor de kinderachtige banaliteit van een door echtgenotes glimlachend vergeven mannenzonde. Toyota vond het voor de Supra, die als het zwarte schaap uit dat voorbeeldige Corolla-nest is gemaakt voor de gespeelde boevenrol. Zijn vorm is macho overtrokken, een karikatuur uit een tekenfilm. De opgezwollen wielkasten staan krom van de spiermassa. Het ding kronkelt alle kanten op in een met luchtsleuven en messteken gescarificeerde bubbelgumstijl. Hij heeft het aura van een lekgestoken plofkip. Vrouw: „Arthur! Néééé!” Mooi, zo mag hij het horen. Zijn laatste kwajongensstreek.

Voor mij, die hem niet koopt, is hij evenals voor alle mannen die dat wel doen minder een auto dan een drager van herinneringen aan de jongensdroom die hij waar moest maken, een oerbeeld van rumoer en wilde vaart.

Het begint met de trap- of duwauto. Zoals de kiepwagen die ik als peuter van mijn ouders kreeg, toen ik hem bij de speelgoedwinkel geel en reusachtig voor me zag. „GROOTAUTO!”, riep ik extatisch. Die aankoop legde de basis voor de aandoening waarvan u wekelijks de zoete dan wel wrange vruchten plukt. Op een geluidloos amateurfilmpje uit de jaren zestig zie ik mij in onze straat, gebogen over die onbestuurbare machine, uitzinnig heen en weer racen, ongetwijfeld dierlijke kreten als ‘vroemvroem’ uitstotend. Men kan emanciperen wat men wil, dat virus gaat er nooit meer uit. Als je Beethoven en Schopenhauer weglaat, is dit het verhaal van mijn leven.

Bastaard

De Supra komt er ook met viercilinder. Die willen we natuurlijk niet. Voor het vroemvroemgevoel is zes het minste. Daar treft het, dat de motor in de Supra een zes-in-lijn van BMW is, de mooiste drieliter van de wereld. Er is wel meer BMW aan de Toyota, dat uit kostenbesparing de techniek van BMW’s Z4 leende. De achttraps automaat, met hetzelfde pookje, het infotainmentscherm inclusief de menuvoering. Hij is dus een bastaard en dat is een blessing in disguise. Een goeie sportwagen is een vuilnisbak.

Want stijl is voor designwatjes. Er hangt een heerlijk proletarisch tunersfeertje in het mannending, helemaal fout. Rode remklauwen heb ik, die als bloederige hompen door de spaken van de gesmede lichtmetalen velgen schijnen. Active Sound Design, dat de twee stortpijpen onder de woest gelittekende kont nog onheilspellender laat donderen. Of racestoelen met een gat in het aluminium inlegstuk tussen zitting en hoofdsteun. De ruige, militante competitiesfeer die de Supra uitdraagt, geeft aan hoe hij bedoeld is; hij moet een fantasie acteren. Hij doet het op een Oscar-waardig peil. Het stuurgevoel reïncarneert de onbegrensde lenigheid van jonge leden, onder de rechtervoet wacht een safaripark van onvergankelijke oergeluiden.

Hij is de meesterlijke schelmenroman van een oude, nostalgische schrijver, een reconstructie van de eeuwige jeugd. De Supra speelt zijn volgens de Porsche-maatstaf bescheiden 340 pk uit als een bejaarde Al Pacino die zijn jonge zelf naspeelt met de schwung van een supercar. Hij is de voorstelling van het parallelle droombestaan, dat als bezit voortaan gewoon het echte leven binnenrolt. Hoe hard hij ook gaat, en snel ís hij, al zijn prestaties zijn symbolisch. Hij hoeft alleen maar bij benadering te doen waarop de droom zich verheugde.

Al moet hij natuurlijk wel behoorlijk rijden, wat hij doet. Achterlijk goed ding, zeg ik in de retropubertaal van zijn drie Nederlandse kopers uit gedeelde hartstocht. Kijk en hoor mij. Ik ben het kind, dat met zijn kiepwagen luid door de Medemblikse straten scheurt. Niets bijgeleerd. Gelukkig niet. De dood kan wachten.