Opinie

Het publiek bepaalt zelf wel wat een kaskraker wordt

Musea

Commentaar

De museumwereld is groeiverslaafd, stelde directeur Meta Knol van Museum De Lakenhal zaterdag in NRC. Volgens Knol zijn Nederlandse musea gevangen in een ‘pervers systeem’, waarin de musea ‘tegen elkaar opbieden met grote, geldverslindende publiekstrekkers waarvoor steeds méér geld en méér publiek nodig is, en waarbij succes steevast wordt afgemeten aan omzet en bezoekcijfers’. Onder Knols leiding zal De Lakenhal dit systeem niet langer in stand houden, schreef Knol in het opiniestuk na afloop van de grote expositie Jonge Rembrandt, en geen verdere blockbusters programmeren. In plaats daarvan zal De Lakenhal zich voortaan richten op ‘lokale verhalen met een universele zeggingskracht’.

Jonge Rembrandt kreeg lovende kritieken en relatief veel bezoekers (55.000), maar bracht niet genoeg op. Ook de best bezochte tentoonstelling uit de geschiedenis van het Rijksmuseum, Late Rembrandt (2015, ruim 500.000 bezoekers), was door de hoge kosten van verzekeringen, vervoer van de doeken en mediacampagnes toch nog een financiële strop. Het Kunstmuseum Den Haag kampt met hetzelfde probleem, blijkt uit een recent beleidsplan: populaire tentoonstellingen, veel bezoekers, toch verliesgevend.

Bezoekersaantallen zijn voor veel subsidieverstrekkers en fondsen een cruciale factor. Instellingen programmeren zogenaamde blockbusters om publiek te genereren en subsidies zeker te stellen. Publiek trekken is ook een belangrijk taak van musea – maar niet de enige. Meta Knol van De Lakenhal maakte de volgende kanttekening: de ‘tijdslots’, onvermijdelijk bij populaire tentoonstellingen, werden in eerste instantie te kort gevonden en soms was De Lakenhal zo vol dat ‘het niet goed mogelijk was om de tentoonstelling te bekijken’.

De bovenmatige aandacht voor bezoekerscijfers, en het hardnekkige adagium dat kwantiteit kwaliteit zou bewijzen, verraadt een eendimensionale opvatting van wat een museum moet zijn. Gelukkig valt in de meeste gevallen niet van te voren te bepalen of iets een kaskraker zal zijn of niet, en beslist het publiek zelf wat het interessant of goed vindt – nu de subsidieverstrekker nog.

Daarmee is het afschrijven van de blockbuster nog wel wat voorbarig. Zolang Nederlandse musea, met hun unieke collecties, ambitieuze en prikkelende tentoonstellingen programmeren, zal het publiek geïnteresseerd blijven, en zullen tentoonstellingen zo nu en dan uitgroeien tot ‘blockbusters’. Dat betekent niet dat elke grote tentoonstelling moet bestaan uit topstukken die van over de hele wereld worden ingevlogen, en voor enorme bedragen moeten worden verzekerd.

De grenzeloze uitwisseling van stukken past in een geglobaliseerde wereld – maar de vraag die volgt is hoe wenselijk dat is met oog op het behoud van de kunst. Bovendien is de vraag of een tentoonstelling die overal ter wereld in een inwisselbare white cube kan worden getoond wel per definitie de interessantste is. Deel van de kracht van Jonge Rembrandt was dat het de artistieke ontwikkeling van de bekendste Leidenaar in zijn thuisstad toonde. Een lokaal verhaal, zou je kunnen zeggen, met onmiskenbaar ‘universele zeggingskracht’.