Recensie

Recensie Boeken

Bart Chabots traumatische jeugd begint onschuldig, met vieze vanillevla

Bart Chabot Je moet wel van steen zijn om niet mee te leven met de jongen die Chabot in zijn autobiografische roman portretteert. Maar de opsomming van gruwel zorgt ook voor een eentonig boek, waarin introspectie uitblijft.

Foto: ANP

Achterin de tuin, verstopt tussen een schuur en een schutting, is een nis, een doodlopende ministeeg, vol afval. In Mijn vaders hand stelt Bart Chabot, die in deze kloeke roman zijn eigen jeugd beschrijft, zich herhaaldelijk voor dat hij daar belandt. Lekker in het donker, lekker in het niets: de nis lonkt naar hem. De jonge Chabot weet zich een mislukking: een schele ‘gebakken peer’, waar zijn ouders mee opgescheept zitten. De wereld zou beter af zijn zonder hem.

Wie Chabot kent als dichtende, immer olijke druktemaker, kijkt verbaasd op van deze autobiografie. In Mijn vaders hand staan weliswaar de nodige kwinkslagen, maar het is een naargeestig boek. Aan het begin ontmoet Chabot bij toeval de verpleegster van zijn demente vader. Hij heeft hem in geen twintig jaar gezien en ziet een verzoening niet zitten. In het vervolg doet hij uit de doeken waarom niet: ‘Het begon onschuldig. Het begint bijna altijd onschuldig.’ In dit geval met zelfgemaakte vanillevla met vel en klontjes, waar hij als jongetje van kokhalst.

Voor je het weet zit je er als lezer middenin. In huize Chabot is alles aanleiding voor een pak rammel: niet kunnen fietsen, fouten maken tijdens het bidden, te sloom of juist te bijdehand zijn. Je moet wel van steen zijn om niet mee te leven met de hier geportretteerde jongen. Pagina na pagina gaat het mishandelen door.

Maar hoe deerniswekkend de beschreven werkelijkheid ook is, in de opbouw van de roman schiet Chabot tekort. Het boek is een opsomming van gruwel. Keer op keer wordt de jongen tot moes geslagen. Als hij daarna nog kan zitten, vindt zijn vader dat jammer. Zijn moeder vertelt haar zoon dat hij als baby al onuitstaanbaar was. Een aai over zijn hoofd is er nooit bij. Ook leraren zijn, op een enkele uitzondering na, bepaald niet geporteerd van hem. Zijn bestaan is de hel.

Straatvrees

Maar zelfs de hel kan gaan vervelen. Weer suizen de klappen, weer plast hij van angst in zijn broek. Het is verschrikkelijk allemaal, maar het is op den duur ook eentonig. Een ontwikkeling maakt het personage Chabot in dit boek te weinig door. Van de zelfhaat en de straatvrees die hij gedurende zijn jeugd begrijpelijkerwijs opliep, zoals hij onlangs in een interview vertelde, is in de roman te weinig terug te vinden. Het komt daarin vrij geruisloos goed, alsof er een goede fee met een toverstafje zwaait. Plotsklaps verhuizen de ouders naar het buitenland, is Chabot geslaagd voor zijn eindexamen. Hij gaat in dienst en daarna studeren. Dat is dat: nog even noemt hij de leuke hospita en de goede vrouw die Chabot vindt (plus kinderen die hij krijgt en koestert), maar uitgewerkt is dit niet. Van veel introspectie is door heel het boek heen eigenlijk geen sprake. De toon is gewaagd en humoristisch, maar soms wel wat al te schalks, op het zelfingenomene af. De lezer blijft met veel vragen zitten.

Daartegenover staan de momenten waarop Chabot erin slaagt de denktrant van het kind dat hij was, mooi weer te geven. Hoe hij zijn vader almacht toedichtte: ‘[Mijn vader] rees langzaam op. Alsof er nog twijfel was over de te volgen weg: zijn volle aandacht wijden aan het hier en nu en mij bestraffen, of te verstenen [...]. Hij koos nooit voor standbeeld worden.’