Necrologie

De profeet van de spontane zelfontplooiing, met seks en ‘hasjiesj’

Carel Muller (1937-2020) Hij was een boegbeeld van de revolutie van de jaren zestig. Na de ontruiming van ‘zijn’ vrije kliniek Nieuw-Dennendal trok Carel Muller zich terug.

Carel Muller met zijn echtgenote in 1971
Carel Muller met zijn echtgenote in 1971 Foto Ben Hansen

De psycholoog, antroposoof en dienstweigeraar Carel Muller, van 1969 tot 1974 directeur van de inrichting Nieuw-Dennendal in de bossen bij Den Dolder, was met zijn lange haar, zijn woeste baard en zijn onconventionele opvattingen over de behandeling van zwakzinnigen een van de belangrijkste gangmakers van de revolutie van de late jaren zestig. Hij verzette zich tegen de ‘kapitalistische prestatiedwang’ in de moderne maatschappij en het ‘alom heersende consumentisme’ waardoor de westerse mens – zie de theorieën van de psycholoog Erich Fromm en de socioloog Herbert Marcuse – vervreemd was geraakt van zijn ware aard en behoeften.

In Dennendal lukte het hem, tot de politie er een einde aan maakte, om een door hem geregeerd bedevaartsoord voor hippies te creëren, waar regels als rust, reinheid en regelmaat werden afgeschaft, arbeidstherapie en medicatie overbodig werden verklaard, openlijke masturbatie was toegestaan en niemand ervan opkeek als een groepsleider seks had met een van de pupillen.

Carel Muller is afgelopen maandag op 82-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats Eelde. In de laatste jaren van zijn loopbaan repareerde hij afgedankte fietsen en kapotte koelkasten.

Leren van zwakzinnigen

Het zelfontplooiingsregime heet het boek dat socioloog, oud-Groen Links-politicus en (inmiddels) hoogleraar Evelien Tonkens in 1999 over Dennendal publiceerde. Ondertitel: De actualiteit van de jaren zestig. In dat boek, tevens proefschrift, beschrijft ze hoe Carel Muller in 1969 op 32-jarige leeftijd aantrad als ‘psychologisch directeur’ en in die positie bijna vrij spel kreeg. Dennendal was onderdeel van het psychiatrisch ziekenhuis Willem Arntsz Hoeve, maar de psychiaters daar bemoeiden zich nauwelijks met de zwakzinnigenzorg (tegenwoordig zorg voor verstandelijk gehandicapten). Die had (en heeft) traditioneel weinig aanzien vanwege het gebrek aan behandelmogelijkheden.

Muller kon er vrijwel ongecontroleerd een vorm van zorg en organisatie introduceren die gericht was op ‘spontane zelfontplooiing’. Volgens de theorieën van psycholoog Abraham Maslow – die van de piramide van Maslow – was dat een algemeen menselijke behoefte en volgens Muller zou die spontane zelfontplooiing zowel de pupillen als het personeel ten goede komen. De westerse mens kon nog wat leren van zwakzinnigen, want die hechtten geen waarde aan geld of carrière. Ze waren speels en natuurlijk, communiceerden ‘direct’ en ‘zonder masker’ en pasten, zoals Evelien Tonkens schrijft, daarmee prachtig in de ‘romantische onderstroom’ van de jaren zestig. Of zoals de in psychiatrie gespecialiseerde historicus Gemma Blok het in haar recensie van Het zelfontplooiingsregime samenvatte: ‘De van oorsprong goede, creatieve mens had zijn ziel verkocht aan de duivels van rationalisme en kapitalisme, maar die zondeval kon gelukkig nog ongedaan worden gemaakt, omdat sommigen eraan waren ontsnapt.’ De zwakzinnigen dus.

Lees ook de recensie van Gemma Blok

Antiautoritair gezin

Dus werd er in Dennendal een biologisch-dynamische moestuin aangelegd en kwam er een met Perzische tapijten beklede theetuin waar het naar „hasjiesj” rook. Groepsleiders werd geleerd om onaangepast gedrag van hun pupillen niet te bestrijden maar te waarderen, en om samen met hen een antiautoritair „gezin” te vormen waarin praten, luisteren en knuffelen voorop stonden, in harmonie met zichzelf, elkaar en de natuur. De deuren tussen de mannen- en de vrouwenafdelingen werden opengezet en Tonkens citeert in haar boek een groepsleider die zegt dat „een enkele zwakzinnige vrouw wel eens een nummertje maakte om geld te krijgen”. Er werd wel op gelet, zegt hij, of het niet tot uitbuiting van die vrouwen leidde.

De eersten die zich gingen verzetten waren de „behoudende” hoofdverpleegkundigen. De provo’s en hippies die Muller als verplegers naar Dennendal haalde waren volgens hen volstrekt incapabel en alleen maar bezig met hun eigen gezelligheid. Er was een geval van verdrinking en in 1971 stapte een ‘anti-Mulleriaan’ naar De Telegraaf om te vertellen wat er in de inrichting gaande was. De krant beschreef een angstvisioen van zwakzinnige meisjes die door hun verplegers stoned werden gevoerd en werden verleid, onder het toeziend oog van de Raspoetin Muller.

Carel Muller wordt weggevoerd bij de ontruiming van Nieuw-Dennendal in 1974.

Foto ANP

Persoonlijke nederlaag

Daarna was de boot aan. Er kwam een overheidscommissie die onderzoek ging doen en de Willem Arntsz Stichting kreeg een (aanvankelijk progressief) interim-bestuur onder leiding van een voormalige minister van Sociale Zaken. De ‘informele democratie’ die werd ingesteld leidde in de praktijk tot schofferingen, schisma’s en het recht van de sterkste.

In de ‘linkse pers’ werden de pro-Mulleriaanse vernieuwers ondertussen voorgesteld als de slachtoffers van autoritaire en burgerlijk bekrompenheid, en toen Carel Muller na zijn ontslag een aantal paviljoens had bezet ontaardde de kwestie Dennendal in zo’n uitzichtloze loopgravenoorlog dat het (linkse) kabinet zich in de zomer van 1974 gedwongen voelde om tot ontruiming over te gaan.

Voor minister-president Joop den Uyl was dat buitengewoon pijnlijk. De avond voor de ontruiming sprak hij op televisie van een persoonlijke ‘nederlaag’ en toen de volgende dag de zwakzinnigen werden weggevoerd riepen de Mullerianen dat ze ‘gedeporteerd’ werden, net als in 1940-1945. Hun sympathisanten schreeuwden „Befehl ist Befehl” naar de politie.

Carel Muller keerde niet terug naar Dennendal. Hij werd docent in het middelbaar beroepsonderwijs. Slag verloren, volgens Evelien Tonkens, maar zijn ideeën hebben de oorlog gewonnen, al is het dan in aangepaste vorm. De aandacht voor ‘humane’ zwakzinnigenzorg is na Dennendal sterk toegenomen, schrijft ze, en het personeel heeft meer zeggenschap gekregen. Ook is het gangbaar geworden om mensen met een verstandelijke beperking niet meer levenslang te isoleren in de bossen. Ze wonen in principe in gewone huizen tussen gewone mensen, en ze leren om zo zelfstandig mogelijk te zijn.