De GGD bij de grens belt drie keer per dag Duitse collega’s

Volksgezondheid Taal, protocollen, organisaties en meer verschillen in een door grenzen doorsneden gebied, waar een en hetzelfde virus opduikt. Het maakt bestrijding complexer, maar stilaan groeit de samenwerking.

De Duitse grensregio, waar twintig coronagevallen zijn geconstateerd, is voor driekwart omgeven door Nederland en voor een kwart door de rest van de deelstaat Noordrijn-Westfalen. Zuid-Limburg kent een nog complexere ligging: slechts 5 procent grenst aan de rest van Nederland, 95 procent aan een buitenland. Dan gaat het om Duitsland, Vlaanderen, Wallonië en de Duitstalige gemeenschap van België.

„Wat die ligging voor bewoners in het dagelijks leven betekent, is in de rest van Nederland soms lastig uit te leggen”, zegt Christian Hoebe. Hij is hoofd infectiebestrijding bij de GGD Zuid-Limburg en hoogleraar aan de Universiteit Maastricht. „Ik heb het vandaag nog aan mensen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) verteld, dat je als Nederlander in Duitsland kunt wonen en werken, maar toch een huisarts of een school met je kinderen in Nederland kunt bezoeken.”

Hoebe werkt sinds een kwart eeuw in de streek, maar daadwerkelijke grensoverschrijdende samenwerking kwam tien jaar geleden pas op gang. De Mexicaanse griep vormde een wake-up call, vertelt Hoebe. „En ook de Q-koorts. De uitbraak daarvan kreeg in Nederland veel aandacht, in Duitsland minder. Dat betekent dat veel Duitse gevallen waarschijnlijk niet zijn onderkend. Onderzoek in Aken wees dat achteraf uit.”

Lees ook: Wat moet je doen als je in een risicogebied bent geweest? En 21 andere vragen over de uitbraak van het coronavirus

De informatievoorziening haperde vaker. „Kinderen op drie Zuid-Limburgse basisscholen waren in 2002 geïnfecteerd met het norovirus. De bron bleek een waterfontein in een attractiepark in Belgisch-Limburg, daar waren ze op schoolreis geweest. Pas later bleek dat ook kinderen op Belgisch-Limburgse basisscholen op deze manier het virus hadden gekregen.”

Vanaf 2010 volgden stappen in de onderlinge samenwerking. Het meest enthousiast is Hoebe over de proef van een jaar of vier met het Euregionaal Dashboard, een gezamenlijk computerprogramma, waarmee de GGD Zuid-Limburg en hun Duitse evenknieën, de Gesundheitsämter, op redelijk gedetailleerd niveau informatie uitwisselden. Op continu bijgewerkte kaarten was voor beide zijden van de grens zichtbaar waar uitbraken van ziektes waren. De proef werd gefinancierd met Europees geld. „Toen die steun stopte, zijn de Duitsers niet doorgegaan omdat bij voortzetting een kostbare automatiseringsoperatie noodzakelijk was.” De GGD’s in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland werken nog altijd met het programma. „En er lopen gesprekken om Vlaanderen ook mee te laten doen.”

Grenslanden die elkaar waarschuwen, zogeheten ‘cross-border risk- alerts’, werden na 2010 een blijvertje in het grensgebied. „Het betekent dat we schriftelijk aan elkaar rapporteren als er zich iets zorgwekkends voordoet. Met kleuren om de mate van zorgwekkendheid aan te geven.”

In verband met het coronavirus hebben de GGD’s Zuid-Limburg momenteel minstens drie keer per dag direct contact met hun Duitse collega's. En Hoebe „weet zeker dat we onmiddellijk bericht krijgen als een van de geïnfecteerde Duitsers in contact is geweest met Nederlanders.

„Pas dan is het tijd voor radicalere maatregelen hier. Alles loopt heel direct, zonder omwegen via Den Haag en Berlijn. In Duitsland werken de Gesundheitsämter zelfstandiger dan de GGD’s, die meer centraal afstemmen met het RIVM.”

In Hoebes mooiste dromen is de aanpak van infectieziektes op EU- niveau geharmoniseerd. In de realiteit zijn er verschillen. „Vlaamse en Nederlandse protocollen lijken op elkaar. In Duitsland werken zaken vaak net even anders. De Gesundheitsämter zijn kleiner dan de GGD’s bij ons. En waar hier de microbiologen van de GGD’s gemakkelijk samenwerken met vakgenoten in de ziekenhuizen, gaat dat in Duitsland lastiger omdat veel Duitse ziekenhuizen dat werk hebben uitbesteed aan private laboratoria.”

Taalbarrières spelen een rol, zegt Hoebe. „Engels spreken werkt beperkend. Onderling contact in het Duits lukt vaak wel. Frans is voor meer mensen lastig.”

Hij prijst zich rijk met het feit dat „ik daar binnen de GGD taalondersteunende mensen voor heb, want ik ben vooral vakinhoudelijk gespecialiseerd.”

Hoe meer je zaken wil formaliseren en juridiseren, waarschuwt Hoebe, hoe complexer het wordt en hoe moeilijker het communiceren is. „Dat moet je dus niet altijd willen. Elkaar kennen en goed informeren vormt de basis. Dat we in rustige tijden geregeld overleggen en samen oefenen helpt. En ook door de corona-uitbraak zullen zaken uiteindelijk nog beter gaan lopen.”