Foto Frank Ruiter

Interview

‘Als je een grutto hebt gezien, wil je voor ze opkomen’

Lunchinterview Hanne Tersmette (32) probeert bij de Vogelbescherming de liefde voor natuur over te brengen naar het publiek. „Ga naar buiten en je zult zien dat je er om gaat geven.”

Hanne Tersmette (32) zit met hond Lucas, een gele gigant die eruitziet of hij kan praten, in een theehuis aan de rand van Doorn. Het is typisch een restaurant voor wandelaars, met de heide drie stappen weg en hondenkoekjes op het menu. Tersmette, die op wandelafstand woont, vandaar dat we hier zitten, vertelt dat ze een Noord-Hollands „buitenkind” was. „Ik haalde bij slootjespringen de overkant niet en kwam nat thuis. Of ik had bloedzuigers op mijn benen. Het kon me allemaal niet schelen.” Ze trainde voor profschaatser en profwielrenner, en na een studie communicatie werkte ze met veel plezier bij verschillende flitsende reclamebureaus, „waar je als welkomstreis naar Amerika ging, dat soort achterlijke dingen”.

En toen solliciteerde ze bij Natuurmonumenten voor de positie ‘boswachter met recreatiekijk’. Ze ging gekleed in een voor boswachters ongebruikelijke outfit.

Lees ook Vliegen de grutto’s zich straks te pletter in Lissabon?

„Ja, wat dacht je. Mijn reclamebureau-looks. Helblauw colbert, skinny jeans, hoge hakken. Ze namen me niet. Maar drie weken later belden ze. Ze hadden diezelfde vacature voor het Naardermeer en of ik nog wilde. Zeker! Mijn taak was om de verbinding te leggen met het publiek. Kom je nooit buiten dan denk je: het zal wel. Maar als je een grutto hebt gezien en je hoort dat het slecht gaat met de grutto’s, dan wil je voor ze opkomen. Die gedachte werkte ik uit in mijn boek #Gaan: ga naar buiten, het maakt niet uit waar en je zult zien dat je er om gaat geven. Ik leg bijvoorbeeld uit wat je moet doen om een ijsvogel te zien. Dat kun je trainen, op een gegeven moment kun je het gewoon, net als bij sport. Serieus, hoe meer je buiten bent, des te vanzelfsprekender herken je waar je het moet zoeken. Ik zie een oude boom en denk onwillekeurig, die heeft een holte, daar kan een boommarter in zitten. Dan kijk ik naar de stam. Ik zie sporen van de pootjes en ik weet: inderdaad, die woont hier. Ik zie hem niet, maar dat maakt niet uit. Hij is er wel.”

De vraag van deze stadjer is wat een boswachter eigenlijk doet. Die vraag krijgt ze vaker, Tersmette legt het maar weer eens uit. „Jij denkt bij ‘boswachter’ aan iemand met een hoed en een hond en een verrekijker die de hele dag buiten is. Maar dat is een schaapherder. In de praktijk is er maar één boswachter veel buiten en dat is de toezichthouder. Die controleert of de regels worden nageleefd en zo niet dan geeft hij een boete. Maar in principe is een boswachter zoveel niet buiten, die is een ecoloog, een natuurbeheerder, een communicatieboswachter. Ik werd de boswachter die het contact met het publiek moest bevorderen. Dat ik toch veel buiten was, kwam doordat ik vlogs begon te maken.”

Alle boswachters wandelen, voegt ze toe, maar in hun vrije tijd. „Ik wandel eerlijk gezegd pas sinds een jaar of vier. Ik kom uit de sportwereld en daar moet alles snel en hard. Waren we in Italië, had een vriendin een mooie wandelroute van een dag uitgestippeld. Ik dacht: een dag? Dat moet in een halve dag lukken. Nu doe ik mijn best om er geen wedstrijd van te maken en even te blijven kijken, als ik een uil zie, of een klapekster. Mijn partner en ik gaan nu zelfs op wandelvakantie. Daar kijken mijn vrienden vreemd van op. Ze zeggen: jij? Wandelvakantie? Ik zeg: ja en het is echt heel tof.”

Niettemin is wandelen voor haar in de eerste plaats lichaamsbeweging, zegt ze. „Alhoewel… Nu ik erover nadenk… We wandelden op Mallorca naar de hoogste top van de Serra de Tramuntana en daar heb ik zitten kijken naar de bulderende zee die overging in de hemel, maar waar precies dat kon ik niet zien… Ik heb mijn ogen gesloten, de wind gevoeld. Nog nooit heb ik zo lang van iets genoten.”

Haar eerste bever

In haar boek staan wandelingen beschreven, en fietstochten. Het is geïllustreerd met een vracht aan natuurfoto’s, van allerlei fotografen. Maar maakte ze ze zelf dan zijn het landschappen.

„Is dat zo? O ja. Wat grappig. Nu ik ze achter elkaar bekijk, zie ik dat ik fotografeer om iets terug te voelen. Die zonsondergang met die onwerkelijke kleuren maakte ik toen ik mijn eerste bever zag. Van die bever heb ik ook een foto, maar die doet me niks. Het gaat om die mooie avond en dat er toen óók nog een bever voorbij zwom. Die foto met de eenzame vliegden in de Loonse en Drunense Duinen markeert de loeihete dag dat we opnames maakten voor Boswachter Gezocht. Iedereen was aan het afzien in het mulle zand en die boom was een en al rust. Stevig geworteld: mij gebeurt niks. Zulke foto’s vangen een herinnering – wat moeilijk is, want dat doe je vooral met je hart.”

Het is essentieel om je tuin niet met tegels dicht te gooien

Hanne Tersmette

Hanne Tersmette is geen boswachter meer. Vorige maand stapte ze over naar Vogelbescherming Nederland. „Bij Natuurmonumenten draaide mijn werk om het publiek. Dat wil graag aaien en alles van dichtbij zien. Mijn werk was daar om te zoeken naar een manier om mensen de natuur te laten beleven zónder dat het schadelijk is. Ik wil niet boos overkomen, maar als er een bijzondere orchidee te zien is, of een zeldzame vogel, dan hoppa!, moet iedereen d’r heen en het bordje ‘Kwetsbaar natuurgebied’ negeren ze gewoon. Hoe kún je. Ja, het is leuk om zo dicht mogelijk langs een rietkraag met een broedende purperreiger te varen, maar dat is voor die soort niet de bedoeling.”

Bij Vogelbescherming Nederland is ze nu ‘communicatieadviseur Stadsnatuur’. „Daar wil ik het publiek oproepen om de eigen omgeving gastvrij voor vogels te maken. Tussen de oren krijgen dat het essentieel is om je tuin niet met tegels dicht te gooien. En het zou mooi zijn als wij architecten en bouwwereld kunnen adviseren over de mogelijkheden om gunstig voor vogels en natuur te bouwen. Dakpannen zo leggen dat er nesten onder kunnen, gaatjes in de spouwmuren maken voor de vleermuizen, watertjes aanleggen voor de insecten. Geen strakke bermen maar kruidenrijk, een beetje zoals de tuin van mijn ouders. Die was niet ‘netjes’ en daar schaamde ik me als kind voor. Maar wij hadden koolmezen in de tuin en mijn vriendinnetjes niet.”

Foto Frank Ruiter

Wij hebben van die groene parkieten in de bomen, zeg ik. Tersmette zegt dat ze ze mooi vindt ook al horen ze hier niet. „Ze zijn er en de natuur zal zich aanpassen. Vroeger keek je op van de nijlgans, de ijsvogel, de grote zilverreiger, nu zie je ze overal. Dat sommige soorten opschuiven is zorgelijk omdat het door de klimaatverandering komt. De kievieten trekken in de winter niet meer weg en er zijn deze winters ineens vele honderden buizerds, want de buizerds uit Scandinavië zijn hier gekomen en de onze zijn niet verder getrokken. De droge hete zomers zie ik terug in oude bomen die in hun toppen geen blad meer hebben. Maar wat moet je? Ik betrap me erop dat ik kleine aanpassingen al moeilijk vind. Ik had vanavond ook vegetarisch kunnen eten in plaats van vlees. Ik had de stekker van mijn oplader uit het stopcontact kunnen halen. Maar als ik het al moeilijk vind om me aan te passen, hoe moeilijk is het dan wel niet voor iemand die verder van de natuur af staat?”

Natuurgebied als dierenpark

Het doet haar goed dat het publiek zich druk maakt om natuurbeleid, ook al betekent dat heibel over het afschot van herten in de Oostvaardersplassen en over de boskap bij Schoorl. „Er zit een visie achter natuurbeleid, daar wordt jarenlang door deskundigen over nagedacht. Staatsbosbeheer denkt niet op een dag, hé, laten we eens even gaan kappen en schieten. In de Oostvaardersplassen zouden de herten de ruimte krijgen, het uitgangspunt was dat het gebied in verbinding zou staan met de Veluwe. Maar toenmalig staatssecretaris Bleker hield die plannen tegen. Daardoor is het gebied een soort dierenpark geworden en dat vraagt om specifiek onderhoud. Afschot is verschrikkelijk, dat vindt iedereen. Maar niemand is erbij gebaat dat die herten te weinig te eten hebben en het gebied wegkwijnt omdat het wordt vertrapt. Bij Schoorl zijn honderd jaar geleden grove dennen aangeplant voor de mijnbouw. Het is geen slecht idee om dat gebied terug te brengen naar de oorspronkelijke toestand, met loofbomen en stuifduinen, en met bij vloed binnenstromend zeewater. Dat geeft de biodiversiteit een enorme impuls. En ja, dan moeten die oude dennen daar weg.”

In haar boek vraagt ze een boswachter hoe hij het vindt om een dier dood te maken. Zelf ziet ze het als een plicht van natuurbeheerders. „Als een dier lijdt en het kruist mijn pad, dan is het mijn verantwoordelijkheid om in te grijpen. Ik heb het nooit zelf hoeven doen, maar ik moest wel publiek dat erbij was uitleg geven. En ik heb nooit anders dan begrip meegemaakt. Afschot ligt moeilijk, kappen ook, daarom wordt er soms lang gewacht met ingrijpen. Dat is dan een schok – je zag het ook met de damherten in Zandvoort. De mensen reageren, begrijpelijk, direct en emotioneel en er is nauwelijks meer een gesprek mogelijk. Natuurorganisaties kunnen het beste zo vroeg mogelijk duidelijk maken waarom er, bijvoorbeeld, bomen gekapt worden. Niet pas als het al bijna zover is. Laat ze blijven uitleggen dat biodiversiteit iets anders is dan duurzaamheid. Dat zwammen op bomen betekenen dat zo’n boom aan het einde van zijn Latijn is en dat kappen dan zo erg niet is. Dat al die bomen mooi zijn, maar alleen maar bomen betekent ook dat je veel minder vogels en insecten hebt, en die hebben meer nodig dan die bomen. Dan heb je die bomen, maar verder raak je alles kwijt.

„Voor natuurbeschermers spreekt zulk ingrijpen volkomen vanzelf. Ik heb weleens het gevoel dat in die wereld wordt vergeten hoe makkelijk huisdieren worden verward met wilde dieren. Maar een poes is echt iets anders dan een ree met een gebroken poot. Mijn poes is een huisgenote. Met een belletje om, want ze mag geen vogels vangen.”