Recensie

Recensie

Door deze indrukwekkende roman besef je dat alles in het leven om angst draait (●●●●●)

Nir Baram In zijn nieuwe overweldigende roman neemt de Israëlische grootheid Nir Baram je mee in de krochten van de ziel. Dit boek gaat je op de huid zitten en laat je niet snel los.

Wadi Qelt met op de achtergrond het St. George klooster.
Wadi Qelt met op de achtergrond het St. George klooster. Getty

‘Schrijf iets moois over me’, zegt de 35-jarige Joël tegen zijn beste vriend, de even oude schrijver Jonatan. Op dat moment ben je al bijna op de laatste bladzijde van Aan het einde van de nacht en besef je dat die opdracht in feite al is volbracht. Want de nieuwe roman van Nir Baram gaat over Joël en natuurlijk ook over zijn vriendschap met Jonatan, die dateert uit hun vroege jeugd.

Aan de hand van hun vervlochten geschiedenis wil Nir Baram (Jeruzalem, 1976) niet alleen laten zien hoe betrekkelijk het menselijk vermogen is om begrip te hebben voor de ander, maar ook dat intimiteit iets heel uitzonderlijks is. Dit thema lijkt zo onderhand een vast element in zijn oeuvre te zijn geworden. Want in feite handelen zijn twee eerdere romans Goede mensen (2012) en Wereldschaduw (2015) over hetzelfde. En opnieuw levert het een intrigerend verhaal op, dat uitblinkt in de diepgravende psychologie van de hoofdpersonages en een knappe compositie. Opnieuw lijkt Baram zich daarbij te hebben laten inspireren door Dostojevski, wiens vertalingen in het Hebreeuws hij vroeger als redacteur van een literaire uitgeverij begeleidde. Opnieuw schreef Baram met dit boek wereldliteratuur.

Aan het einde van de nacht strekt zich uit over drie, elkaar afwisselende periodes in de levens van Jonatan en Joël en begint in het Mexico van nu, waar Jonatan heeft deelgenomen aan een literair festival. De schrijvers zijn dan al naar huis. Alleen Jonatan hangt nog in zijn hotelkamer rond, temidden van een gigantische puinhoop die zijn verwarde geestestoestand benadrukt. Al dagenlang ligt hij in bed en verkeert hij in een permanente roes waarmee hij de last van zijn leven probeert te verlichten.

Israëlische middenklasse

Een paar dagen eerder heeft hij op een feestje een jonge vrouw verteld over de dood van Joël en zijn verdriet daarover. In zijn roes beseft Jonatan achteraf dat Joël helemaal niet dood is. In het gesprek met die vrouw heeft hij zich hoogstens willen afvragen wat het voor hem zal betekenen als Joël er daadwerkelijk niet meer is.

Vervolgens springt Baram terug in de tijd en voert hij je naar de jaren tachtig, als Jonatan en Joël elkaar zo rond hun elfde leren kennen. Dit deel speelt zich af in Beet Hakerem, een tuinstad van Jeruzalem, waar beiden opgroeien in een straat met lage flats voor de Israëlische middenklasse. Het is hetzelfde schouwtoneel dat je kent uit de boeken van Amos Oz, David Grossman en A.B. Yehoshua, Barams grote voorgangers, met wie hij zich zo onderhand kan meten.

Lees ook het interview: We maken van Israël het grootste Joodse getto ter wereld

Op zekere dag wordt de kleine Joël in zijn witte sjabbatkleren afgetuigd door een bende jongens uit de ‘hoge torens’, waarmee het arme deel van Beet Hakerem wordt aangeduid. Dat gebeurt in de wadi, een opgedroogde rivierbedding, aan de rand van hun wijk. Baram beschrijft dat gevecht zo invoelbaar dat hij je bijna terugvoert naar je eigen kindertijd met zijn buurtoorlogjes en dreigende grote jongens uit een andere straat. Tegelijkertijd zit je ook middenin het Jeruzalem van die tijd en voel je de brandende zon, het rulle zand, het kale beton.

Macho-verhalen over Gaza

Rondom Jonatan en Joël formeert zich een groep oudere jongens, die het weliswaar voor Joël opnemen, maar vooral geïnteresseerd zijn in een gevecht met de bende van de hoge torens. In hun gezelschap verschijnen ook meisjes, van wie Joël en Jonatan dan nog amper iets willen weten. Ook zijn er de macho-verhalen van de dienstplichtige broers van die oudere jongens, die in Gaza elke nacht de huizen van Arabieren bestormen en iedereen wakker maken, om hun televisies kapot te gooien en de mannen te dwingen anti-Israëlische leuzen op de muren van hun huizen over te schilderen.

In de wadi smeden Joël en Jonatan hun vriendschapsband. Altijd zullen ze er naar kunnen terugkeren, in tijden van voor- en tegenspoed. De wadi wordt zo de plaats waar alles veilig, mooi en goed is, en waar de wereld van de volwassenen uit kan worden geweerd.

Hoe gecompliceerd die wereld in elkaar steekt, blijkt uit de volgende sprong in de tijd, waarmee Baram je in de jaren negentig parachuteert. Jonatan en Joël, inmiddels zeventien jaar oud en tegen hun eindexamen aanhikkend, zijn nog altijd jongens. Maar hun vriendschap wordt bedreigd door factoren van buitenaf, zoals vriendinnetjes en stoere nieuwe vrienden.

Verraad

Een paar jaar eerder hebben ze samen nog een imaginair koninkrijk gesticht met eigen wetten, ministers en gouverneurs. In hun verbeelding voeren ze oorlogen, sluiten ze wapenstilstanden, veroordelen ze opstandige onderdanen ter dood. Ook tekenen ze landkaarten van hun rijk, hun steden en hun provincies, en verdelen ze de macht onder hun vazallen. In de klas stoppen ze elkaar papiertjes toe waarop ze de geschiedenis van hun rijk schrijven en maatregelen treffen om opstanden de kop in te drukken.

Maar op een dag vindt Joël dat het misschien tijd is dat ze ieder hun eigen gang gaan. Jonatan denkt daarop argwanend over zichzelf: ‘hij kende de wrede wet die ze als kind samen hadden aangenomen: op het moment dat een van hen zijn interesse verloor in de wereld die ze samen hadden geschapen, kon die niet meer hersteld worden. Het verraad had altijd boven hun gemeenschappelijke activiteiten gehangen.’

Verraad vormt de kern van wat Baram in deze roman wil vertellen. Behalve in zijn vriendschap met Joël, speelt het in Jonatans jongensjaren een grote rol in zijn band met zijn moeder, die kanker heeft en niet lang meer zal leven. Zijn verhouding met haar is belabberd. Als ze na een hevige ruzie tegen hem zegt dat hij zich geen zorgen hoeft te maken omdat ze er binnenkort niet meer is, antwoordt hij: ‘Prima.’ Tijdens een andere ruzie zegt zijn moeder zelfs tegen hem dat hij de ogen van een Gestapo-officier heeft, zo gemeen heeft hij zich tegen haar gedragen.

Verstoorde relatie

Jonatan blijft lang gissen naar het moment waarop het is misgegaan. Baram verwoordt het zo: ‘Zij had toen hij nog heel jong was, het verhaal van de twee aparte tijdperken voor hem vastgesteld, de lange periode van saamhorigheid, totdat hij haar had bedrogen.’ En dan komt het: ‘Het bedrog had niet te maken met wat hij gedaan had, maar met het kind dat hij was geworden.’

Geleidelijk aan ontdek je wat er gebeurd is en dat niet Jonatan zijn moeder heeft verraden, maar zijn moeder hem. En daarmee beland je in het mooiste deel van het boek, omdat die vaststelling Jonatan bang maakt voor wat hem te wachten staat als zijn moeder niet meer leeft. Alsof hij dan ineens kind af is. Opnieuw beschrijft Baram het meesterlijk: ‘Op angstige momenten had Jonatan soms de neiging zich te verschansen in de vesting van het kind-zijn, te verlangen dat de verdedigingsmuren hem zouden beschermen tegen de slechte berichten van de grote mensenwereld en hun boodschappers.’

Van begin tot eind zet Baram de verstoorde relatie tussen moeder en zoon indringend neer. Hij sleurt je als het ware hun gemankeerde intimiteit binnen, waardoor de roman onder je huid gaat zitten en je niet snel loslaat. En dat is knap, heel knap.

Liegen

In de intensiteit waarmee Baram dat doet en in de genadeloze manier waarop hij de afstandelijke familieverbanden neerzet, evenaart hij in literair opzicht Amos Oz, die in zijn autobiografische roman Een verhaal van liefde en duisternis ook over een voor haar zoon onbereikbare moeder schreef. Niet voor niets herkende Oz in Baram vanaf de publicatie van zijn debuutroman Goede mensen een nieuwe grootheid in de Israëlische literatuur.

Lees ook de recensie van Goede mensen: Een magistrale roman over de daders in Hitlers Duitsland

Naarmate je vordert in deze overweldigende roman besef je dat alles in het leven om angst draait. Om zijn demonen te bezweren besluit Jonatan in de schriften, waarin hij als kind zijn belevenissen noteert en die de basis voor zijn latere schrijverschap vormen, de waarheid een draai te geven, om op die manier zijn wanhoop op anderen te kunnen projecteren. Hij beschouwt dat liegen weliswaar als een verraad aan de waarheid, maar hij kan niet anders, omdat die waarheid nu eenmaal meedogenloos is.

In het laatste deel van de roman vraagt Joël hem om uit die schriften voor te lezen om op die manier hun jeugd weer te laten klinken. Maar Jonatan weigert dit. Anders dan Joël is hij bang voor zijn herinneringen aan die tijd. Ook wil hij onder geen beding zijn kind belasten met zijn angsten. Hij is zich toch al aan het terugtrekken uit zijn gezin.

Baram heeft je dan al naar het diepste punt van zijn verbeeldingswereld gesleept en je vastgeketend aan Jonatans beklemming en eenzaamheid: ‘De muren die het heden beschermden tegen de verschrikkingen van het verleden en die zorgden dat herinneringen gefilterd werden tot een dosering die hij nog kon verdragen, stonden op instorten […]’, schrijft hij.

Voor Joël geldt, zoals gezegd, het omgekeerde. Hij kan juist niet tegen het heden op. En waar Jonatan zich van zijn angsten heeft willen bevrijden door schrijver te worden, zodat hij de waarheid naar zijn hand kan zetten, hoopt Joël zijn geluk in hun gezamenlijke verleden terug te vinden, in de buurt van de wadi, waar hij als kind geslagen werd door de jongens van de hoge torens en het leven overzichtelijk was.