Opinie

Afgericht

Ellen Deckwitz

Vanochtend maakte ik met een boswachter-historicus een lange wandeltocht en dacht ik nog dat de mens goed was. „Ik word zo gelukkig van bossen”, zei ik, scheel van vreugde en zuurstof. „Grappig”, gniffelde mijn wandelgenoot, „tegenwoordig staat het bos symbool voor rust en puurheid, terwijl het vroeger een plek vol verschrikkingen was. Door de wouden die Europa tot de vroege Middeleeuwen bedekten, kon je alleen met een kapmes. Het was er levensgevaarlijk, tjokvol doodenge dieren, giftige struiken, doornen, parasieten. En door de dichte begroeiing was het er zelfs overdag pikdonker, waardoor je makkelijk struikelde en je nek brak.”

„Nu je het zegt, in sprookjes is het bos inderdaad meestal een onheilspellende plek. Hans, Grietje, Roodkapje, Sneeuwwitje: ze probeerden er allemaal zo snel mogelijk weer uit weg te komen.”

„En dan was het niet alleen zo gevaarlijk door wat zich erin schuilhield, maar ook omdat de wouden vroeger zo uitgestrekt waren, dat je er makkelijk in verdwaalde, waardoor je kon sterven van honger en dorst. Het was niet zonder reden dat men op een zeker moment maar op landbouw en veehouderij overging. Destijds moet een opengehakte plek in het woud een enorme opluchting zijn geweest; eindelijk kon je roofdieren zien aankomen, eindelijk was je omgeving overzichtelijk.”

„Eigenlijk is het dan vreemd dat we het bos tegenwoordig als iets vertrouwds zien, terwijl het in vroeger tijd een plek van onheil was.”

‘Nou ja, het zegt vooral iets over hoezeer we eraan gewend zijn geraakt dat de bossen op de mens zijn afgestemd. Met louter ongevaarlijke dieren, begaanbare paden en de bomen ver genoeg van elkaar af om de weg te kunnen vinden. Dat de mens zich op zijn gemak voelt in een bosrijke omgeving is een relatief jonge ontwikkeling.”

„En het komt dus doordat we het bos tam hebben gemaakt.”

„Ik zou eerder zeggen dat we het hebben afgericht.”

Die wetenschap maakte de wandelpartij een stuk minder idyllisch. Opeens besefte ik wat er allemaal was verwijderd zodat ik op mijn gemak kon slenteren: gewassen, dieren, hele ecosystemen waren uitgedund zodat ik even de benen kon strekken. De boswachter-historicus zag me worstelen.

„Joh, daar kan jij niets aan doen.”

„Maar ik profiteer er wél van.”

„Is dat niet altijd zo? We willen voor zo min mogelijk dingen bang zijn en gaan er daarom met gestrekt been op af: bossen, dieren, vreemdelingen, religies, culturen. Tot we ons er niet meer door bedreigd voelen.”

De rest van de tocht zwegen we maar, terwijl ik overal uitgeroeide gevaren zag en mijn schaduw het bospad verduisterde.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.