Oostenrijk verplicht school-skiën, voor het vaderland

Identiteit

Oostenrijkers skiën minder. Maar de sport geldt van oudsher ook als goed voor het natiegevoel, en dus is er nu een skigebod. Door onze correspondent
Na het Habsburgse Rijk gingen Oostenrijkers hun nationale identiteit herformuleren: skiën speelde een hoofdrol. Deze poster, van Joseph Binder, dateert van circa 1937.
Na het Habsburgse Rijk gingen Oostenrijkers hun nationale identiteit herformuleren: skiën speelde een hoofdrol. Deze poster, van Joseph Binder, dateert van circa 1937. Foto Getty Images

Als Oostenrijkers aan winter dachten, dachten ze vaak automatisch aan skiën. Aan verplichte skitrips met school, aan lange files in de bus in de bergen, het Frühstückspension met stapelbedden, strenge ski-instructeurs in rood-witte outfits en skiliften waar je billen aan vastvroren.

Maar dit is aan het schuiven. 25 jaar geleden zei minder dan 40 procent van de Oostenrijkers dat ze nooit skieden. Nu is dat 60 procent. De nieuwe conservatief-Groene regering wil daar wat aan doen. In het regeerakkoord, van januari, staat dat ze op scholen het skiën weer verplicht stellen: vier dagen per jaar voor de basisschool, minimaal één week voor middelbare scholieren. Wanneer de verplichting ingaat, is onbekend.

De machtige ski-lobby heeft de regering een flinke duw gegeven. In de media werd het skigebod afgelopen weken – hoogseizoen – druk bediscussieerd. Een zegsman van het Österreichischer Skiverband meldde dat beide partijen met de neus in het „alarmerende” aantal niet-skiërs zijn gewreven. De toerisme-industrie zet elk jaar 40 miljard euro om, waarvan ruim een derde van de wintersport komt. Eén op de vijftien Oostenrijkers werkt in het toerisme – in de bergen nog meer. Als steeds minder Oostenrijkers skiën, en het niet aan hún kinderen doorgeven, loopt dit verdienmodel gevaar. De landelijke ski-industrie heeft aangeboden om scholieren 40 procent korting te bieden.

Toch is skiën een vrij nieuwe sport in Oostenrijk. In het uitgestrekte Habsburgse Rijk zagen Oostenrijkers hun land niet speciaal als Alpenland. Toen ‘Habsburg’ in 1918 ineenstortte, hielden de Oostenrijkers een klein land over dat voor driekwart bergachtig was. Daar moesten zij hun nationale identiteit, die altijd multicultureel was geweest, opnieuw formuleren. Geen wonder dat die bergen daar een grote rol in speelden. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw begonnen de Oostenrijkers de wintersport te cultiveren.

Na de Tweede Wereldoorlog ging dat in de versnelling. Oostenrijkers, die medeplichtig waren geweest aan de Holocaust, probeerden zich ineens van Duitsland te distantiëren. Zo cultiveerden ze ineens hun eigen woorden. Zelfs nu nog vechten Oostenrijkers in de Europese Unie over het recht om hun jam niet ‘konfiture’ te noemen, zoals de Duitsers, maar ‘marmelade’. Ook over ‘marillen’ zijn in Brussel veldslagen gevoerd (Duitsers noemen die ‘abrikosen’). Even fanatiek omarmden de Oostenrijkers na 1945 de wintersport – omdat Duitsland die nauwelijks had. „Het afbakenen van een ‘Oostenrijkse zelf’ van de ‘Duitse ander’ vormde de kern van het naoorlogse project van nationale reconstructie”, schreef socioloog Christian Karner.

Ex-nazi’s

Dat gebeurde vrij maniakaal. Na de oorlog zat Oostenrijk vol ex-nazi’s die behoefte hadden aan een nieuwe identiteit. Skiën leende zich daar perfect voor. Er werden liften gebouwd, pistes geëgaliseerd, skifabrieken neergezet. De overheid sponsorde verplichte skiweken voor scholieren. Het berglandschap kwam vol liftinstallaties en andere voorzieningen te staan.

In de jaren zestig waren skischolen net trainingskampen. Lenige instructeurs met insignes op de borst – onder wie menig oud-legerofficier – dreven skiklassen met militaire discipline tot de slalom. Koude tenen waren voor doetjes. Zo werd Oostenrijk een ski-natie. Tijdens de oorlog veroverden Oostenrijkers andermans gebied, schreef Tulga Beyerle in A century of Austrian design, „maar na 1945 veroverden ze alleen nog eigen gebied, intern, vreedzaam”.

Nog altijd hebben (voormalige) ski-instructeurs in Oostenrijk een streepje voor. Nieuwkomers worden, net als bij Nederlandse studentencorpora, afgezeken door ouderejaars. Oude vrienden van de zwarte pistes en après-ski in Sankt Anton of Kitzbühel helpen elkaar later met banen en connecties.

Een derde van de Oostenrijkers skiet jaarlijks. Kerst, carnaval en Pasen ontketenen een exodus uit de steden. Tekencursussen en sportclubs stoppen automatisch: iedereen gaat ervan uit dat er toch niemand komt. Iedereen staat op de latten.

Vroeg opstaan

Maar de gewoonte kalft af. Velen komen uit Oost-Europa en hebben de gewoonte niet. Het aantal dagjes-skiërs neemt ook af: geen zin om op zondag vroeg op te staan. De steden bieden concurrentie: stedelingen hebben drukke programma’s, zodat de wintersport erbij inschiet. En Oostenrijkers klagen dat skiën zo duur wordt. Hoewel het goedkoper is dan Zwitserland, is het ook hier aan de prijs. Een skivakantie voor een gezin met twee kinderen kost een maandsalaris of meer. Een liftpas voor één dag komt op ongeveer 50 euro per persoon.

Eén thema komt opvallend weinig aan bod in de discussies over de verplichte skiweek: het milieu. 62 procent van alle Oostenrijkse pistes gebruikt kunstmatig gemaakte sneeuw. „Je zou denken dat mensen hierover vallen, zeker nu de Groenen in de regering zitten”, zegt oud-hoogleraar politicologie Anton Pelinka. „Maar iedereen houdt zijn mond erover. Kennelijk is skiën toch belangrijker.” Pelinka heeft lang in Innsbruck gewoond. Hij skiet niet. Maar zijn vrienden, van wie velen gepensioneerd zijn, skiën nog steeds.

Oostenrijk werd in 1995 lid van de Europese Unie. In 1996 werd het verplichte schoolskiën afgeschaft. Kinderen moesten de kans krijgen om in die week een taalcursus te volgen in een ander land. Nog bieden veel scholen in februari een skivakantie aan, facultatief en op eigen kosten. Maar van de 1,1 miljoen scholieren bonden er vorig winterseizoen nog maar 160.000 de latten onder. Peter Zellmann, van het Instituut voor Vrijetijds- en toerismeonderzoek, constateerde in De Standaard dat er nu één generatie ouders is die niet met skiën opgroeide. „En we kunnen al zeggen dat de identiteit van ‘’s winters gaan we de piste op’ verloren is gegaan.”

Correctie (27 februari 2020): In een eerdere versie van dit artikel was de naam van de auteur van A century of Austrian design, Tulga Beyerle, verkeerd geschreven als Tulya Beyerle.