Krijgsmacht heeft reservisten nodig voor het ‘onplanbare’

Defensie Reservisten krijgen een steeds belangrijkere rol in het leger. „Zo kun je de flexibiliteit van de krijgsmacht vergroten.”

Reservisten hebben onder meer de taak het Nederlandse grondgebied te verdedigen. Foto’s Lars van den Brink
Reservisten hebben onder meer de taak het Nederlandse grondgebied te verdedigen.

Foto’s Lars van den Brink

De Nederlandse krijgsmacht heeft al heel lang geen paarden meer, maar toch reisden in het eerste decennium van deze eeuw enkele dierenartsen mee met de missie in Afghanistan. Die legden Nederlandse militairen uit hoe ze paarden en ezels konden bepakken, want dáár bleek het wel handig om deze dieren te gebruiken als transportmiddel. En doordat de dierenartsen ter plekke zieke ezels en geiten behandelden, konden de militairen makkelijker de hearts and minds van de lokale bevolking winnen.

Deze dierenartsen zijn reservisten – deeltijdmilitairen. Dat gold ook voor veel Franstalige tolken bij de Nederlandse missie in Mali. De krijgsmacht telt bijna zesduizend reservisten, naast de bijna zestigduizend militairen en burgers bij defensie. De meeste reservisten hebben een militaire taak, zoals de beveiliging van havens en vliegvelden. Zo bestaat de Nationale Reserve van de landmacht uit drie bataljons die het grondgebied van Nederland, opgedeeld in de regio’s noord, midden en zuid, beveiligen. Een kleiner deel heeft een ‘specifieke deskundigheid’ zoals de eerder genoemde dierenartsen en tolken, maar ook verpleegkundigen, advocaten, ict-experts, chirurgen, cultureel antropologen en sportinstructeurs.

Sommigen werken een dag per week op een kazerne, anderen gaan af en toe mee op missie. Nogal wat studenten hebben als reservist een bijbaan bij defensie. „Leuker dan vakkenvullen bij Albert Heijn”, zegt Robbert van der Ven. Van der Ven (51) is directeur-eigenaar van een groot bedrijf in minerale grondstoffen en in deeltijd werkzaam op het ministerie van Defensie, waar hij meedenkt over het reservistenbeleid.

‘Ondernemende personen’

De rol van reservisten wordt de komende jaren alleen maar belangrijker, zegt het ministerie van Defensie in zijn schets van de toekomstige krijgsmacht. Die moet flexibel kunnen inspelen op onverwachte bedreigingen en een beroep kunnen doen op heel verschillende expertises. De „adaptieve krijgsmacht”, heet dat in defensie-termen. In de defensienota die dit voorjaar verschijnt zal naar verwachting veel aandacht worden besteed aan de groeiende rol van reservisten.

Toen er onlangs reservisten door de straat marcheerden, liep de buurt uit

Rein Bijkerk , militair historicus

„Wie heeft zien aankomen dat Rusland de Krim zou innemen, zoals gebeurde in 2014? Wie had voorspeld dat een paar drones al het verkeer op luchthaven Londen Gatwick zouden kunnen lamleggen, zoals gebeurde in 2018? De wereld en vooral de technologie veranderen zo snel. Daarom moeten we echt anders gaan nadenken over dreigingen en daarvoor moeten we mensen van buiten binnenhalen, met deskundigheden die we niet of te weinig hebben”, zegt Van der Ven „We moeten gaan plannen op het onplanbare. Daarvoor hebben we reservisten nodig.”

Reservist Van der Ven overwoog na zijn dienstplicht serieus om beroepsmilitair te worden, maar knapte af op de bureaucratie in de krijgsmacht in de Koude Oorlog. Hij belandde wel in de kaartenbak onder de vlag ‘ondernemende personen’ en werd in 2006 gevraagd om met andere reservisten militairen te helpen bij de wederopbouw in Afghanistan. „Daar zette ik een waterpompreparatiebedrijf op en een trainingscentrum voor loodgieters, elektriciens, timmerlieden en naaisters.”

Foto’s Kees van de Veen

Slagkracht

Van der Ven, die jaren in Frankrijk woonde, deed ook het tolkexamen en ging als tolk mee met de special forces in Noord- en West-Afrika. De inzet van reservisten is volgens hem ook nodig doordat de arbeidsmarkt zo krap is en defensie al zo’n achtduizend vacatures heeft. „Kennisinstituten, bedrijven en overheden jagen allemaal op dezelfde schaarse IT-jongens en -meisjes. Dan kunnen we proberen te concurreren met een groot IT-bedrijf. Maar we kunnen ook zeggen: vier dagen per week werken bij dat bedrijf, één dag bij ons. Zo kunnen we de slagkracht van defensie vergroten.”

Die slagkracht van de Nederlandse krijgsmacht is met zo’n veertigduizend beroepsmilitairen niet heel groot, zegt militair historicus Rein Bijkerk, mede-auteur van het boek De oorlog van nu. „Met reservisten kun je de flexibiliteit van de krijgsmacht vergroten, net als het vermogen om een oorlog vol te houden”, zegt Bijkerk. „Dan zal je hiervan wel een volwaardig, zelfstandiger onderdeel van de krijgsmacht moeten maken, misschien zoals in de VS de National Guard.”

Zo’n volwaardige rol voor reservisten kan volgens Bijkerk ook de kloof tussen de krijgsmacht en de samenleving versmallen. „De krijgsmacht is uit beeld verdwenen na het schorsen van de opkomstplicht en door het inmiddels ingetrokken verbod op het dragen van het militair uniform in het openbare leven”, vertelt Bijkerk. „Toen een vriend van mij in Amsterdam onlangs reservisten in de straten zag marcheren, liep de buurt uit.” Die onzichtbaarheid is niet goed, vindt Bijkerk. „Want de krijgsmacht is de ultieme beschermer van onze democratische rechtsstaat. Dat besef is gebaat bij een grotere rol voor reservisten.”

Lees ook: Waarom Christ Klep vindt dat Nederland verkrampt met de krijgsmacht omgaat

‘Ik werd meteen gebeld of ik naar Jordanië kon’

Eline Klein Kranenburg fysiotherapeut

Als kind droomde Eline Klein Kranenburg (40) ervan bij de mariniers te gaan. Toen ze 13 was, bezocht ze een open dag van dit elitekorps. „Een marinier legde mij toen uit dat dit niet kon, vrouwen bij het korps. De vrouwelijke cyclus is onhandig als je zes weken in het veld ligt”, vertelt ze. „Dat begreep ik wel.” Tegenwoordig mogen vrouwen wel bij de special forces, maar in Nederland is dat een vrouw nog nooit gelukt.

De defensiedroom bleef. Ze meldde zich aan voor de opleiding tot helikoptervlieger, maar strandde bij de keuring op een speciale gehoortest. Daarop deed ze een opleiding fysiotherapie. „Mijn stage in het laatste jaar deed ik vanzelfsprekend bij de marine in Den Helder.” Daar zat ze drie maanden intern en behandelde militairen met onder meer schouder-, enkel-, nek- en rugklachten.

Het werk sprak haar aan, maar toch kwam ze niet bij de marine terecht. Na haar opleiding kon ze als fysiotherapeut aan de slag bij de musical The Lion King. „Dat heb ik anderhalf jaar gedaan, zes dagen per week, van de middag tot de late avond. Fantastisch.”

Met haar toenmalige vriend reisde ze naar het zuidelijk halfrond, waar ze als fysiotherapeut werkte bij het softbalteam van Nieuw-Zeeland en het rugbyteam van Samoa. Terug in Nederland ging ze in fysiotherapiepraktijken werken, maar daarmee is ze anderhalf jaar geleden „teleurgesteld en gefrustreerd” gestopt. „Ik moest te vaak tegen mensen zeggen: ‘Ik kan wel helpen, maar u moet zelf betalen.’ Dat konden ze vaak niet.”

Klein Kranenburg werd gekeurd, opgeleid en stuurde daarna een mail naar de reservisten van de luchtmacht. „Toen werd ik meteen gebeld of ik naar Jordanië kon, voor drie maanden, om de vliegers bij te staan. Dat wilde ik graag, maar ik was net gescheiden en heb drie jonge kinderen. Dus dat ging niet.”

Wel zei ze ja tegen een deeltijdbaan bij het onderzoekscentrum van de luchtmacht in Soesterberg, waar ze ooit net niet door de keuring kwam. Daar doet ze de planning voor medische keuringen en onderzoek naar nek- en rugklachten bij F-16-vliegers. „Kussentjes moeten die klachten verminderen. Die kussens ben ik passend aan het maken.” Bovendien is ze fysiotherapeut van het basketbalteam van de krijgsmacht.

‘De majoor vroeg of ik terug wilde komen’

John Stolk consultant

Majoor der mariniers John Stolk is consultant, maar noemt zichzelf executive counsellor. Na een verblijf van ongeveer twintig jaar aan de oostkust van de Verenigde Staten is hij onlangs teruggekeerd naar Nederland. „Mijn huis daar heb ik verkocht, net als mijn verzameling Alfa Romeo’s.”

Hier doet hij als reservist klussen voor de krijgsmacht, bij het ‘bureau innovatie en verandermanagement’ dat beginnende defensiebedrijven ondersteunt.

Stolk is zijn hele volwassen leven verbonden geweest aan de krijgsmacht. Zijn dienstplicht vervulde hij bij het Korps Mariniers. Daarna deed hij de Franse commando-opleiding op Martinique en stapte over op de opleiding tot militair vlieger in de VS.

Zijn vliegercarrière werd bekort door een verwaarloosde neusverkoudheid, die leidde tot geblokkeerde sinussen. „Daarmee ben ik toch gaan vliegen, waardoor mijn sinussen een klap kregen. Ik werd afgekeurd als vlieger.” Stolk ging werken als consultant.

In de VS werd hij de lokale contactpersoon voor ongeveer dertig oud-mariniers, die elk jaar op 10 december de verjaardag van het korps vieren. In 2014 vroeg een majoor die reservisten rekruteert of hij wilde „terugkomen”. In 2015 kwam hij door de militaire keuringen en werd het papierwerk in orde gemaakt. „Daarvoor ben ik vier keer op en neer gevlogen, op eigen kosten.”

Aanvankelijk zou hij als reservist ondersteuning gaan bieden aan de Nederlandse ambassade en de liaison officer, maar al snel besloot hij tijdelijk zijn diensten in Nederland aan te bieden. „Ook om hier weer een netwerk op te bouwen.” Hij begon met twee dagen in de week voor defensie, maar dat werden er al gauw drie, vier en vijf. „Dan deed ik ’s avonds mijn burgershirt aan en ging nog een paar uur werken voor mijn eigen toko in New York.”

Zo werkte hij afwisselend voor zijn eigen bedrijf en voor defensie. „Het Korps Mariniers is meer dan familie. Ondanks lange afwezigheid was het alsof ik niet weg was geweest. Dit was dubbel thuis komen.” Nederland bevalt hem erg goed: „Behalve de files. Ik moet om kwart over vijf van huis om op tijd te zijn voor mijn werk in Den Helder.” Inmiddels werkt Stolk weer als beroepsmilitair.

‘Wij hebben juristen ingevlogen in Afghanistan’

Fulco Stallmann programma-manager

Er zijn dagen dat kolonel Fulco Stallmann (55) vier setjes kleding bij zich heeft: het gevechtspak met de groen-geel-bruine camouflagevlekken, het dagelijks tenue van de militair, het galatenue en burgerkleding. „Dan moet ik me soms drie keer op een dag omkleden, meestal op een kazerne, en dan zie ik vaak ook collega’s die zich in hokjes aan het omkleden zijn.”

Dit hoort bij het leven van de deeltijd-militair Stallmann, die zich zelf vanwege al zijn werkzaamheden schertsend omschrijft als een „ADHD-geval”: zelfstandig programma-manager, plaatsvervangend inspecteur reservepersoneel bij de landmacht en commissaris bij onder meer een internationale producent van textielgarens. „Ik woon in Friesland en werk in Amsterdam. Ik ga meestal op zondagavond weg en op donderdag weer naar huis – intussen slaap ik bij een vriendje. Dat betekent goed plannen, ik ben een echte lijstjesman.”

Dat heeft hij geleerd toen hij als 21-jarige zijn dienstplicht vervulde. „Dan kregen we vóór een oefening allemaal een lijstje met: ‘u dient mee te nemen’. Na pakweg tien kilometer kreeg je controle. Dan waren er altijd mensen die a en b wel maar c en d niet bij zich hadden. Die moesten dan helemaal teruglopen naar de kazerne om bijvoorbeeld hun scheermes te halen. Is mij ook gebeurd.”

Na zijn diensttijd, waarin hij pelotonscommandant was en zijn parachutisten- en duikbrevet haalde, overwoog hij om beroepsmilitair te worden. „Maar ik had een havo-diploma en daarmee kon je toen alleen officier in een soort b-categorie worden. Dat wilde ik niet.” Nadat hij aan het hbo en de universiteit bedrijfskunde had gestudeerd, „kwam het er niet meer van” om de officiersopleiding te gaan doen en ging hij aan de slag in de burgermaatschappij.

Als reservist werd hij uitgezonden naar Bosnië en Afghanistan, waar hij lokale ondernemers hielp om bedrijven – opnieuw – op te zetten. „In Bosnië had een meneer een kleine garage, waarin net een autootje paste. Hij had een oud diagnose-apparaat gekregen, maar kon het Nederlandstalige apparaat niet bedienen. Duits beheerste hij wel. Toen ben ik gaan bellen met de fabrikant in Duitsland en heb de oude software in het Duits gekregen. We ontvingen een grote enveloppe met diskettes en hij kon aan de slag met zijn apparaat.”

In Afghanistan kreeg hij hulp van andere reservisten uit Nederland: een microbioloog die een bacteriële besmetting beëindigde, een landbouwexpert die een oplossing vond voor schimmel in amandelen, een directeur van een waterschap die alles bleek te weten van ondergrondse irrigatiekanalen die de rebellen gebruikten als verstopplaats. „Om de rechtsstaat te herstellen hebben wij juristen ingevlogen en huisjes gebouwd voor rechters en voor rechtszaken. Dat is wat reservisten doen, samen met voltijds militairen.”