Opinie

In Nederland vóór #metoo

Frits Abrahams

Harvey Weinstein in de boeien geslagen en met hartkloppingen naar het ziekenhuis – dramatische momenten na de schuldigverklaring door de jury in New York. Ze zouden bijna het zicht ontnemen op de maatschappelijke betekenis van die uitspraak.

The New York Times schrijft in een commentaar: „Het laat zien hoe moeilijk het kan zijn om misbruikers voor de rechter te krijgen, vooral als zij rijk en machtig zijn. Het laat zien hoe de #metoo-beweging het Amerikaanse leven heeft veranderd. En het laat zien wat de samenleving nog meer moet doen.” De krant herinnert eraan dat aanklager Cyrus Vance jr. nog in 2015 weigerde ernstige beschuldigingen tegen Weinstein serieus te nemen.

Toeval of niet, kort na de uitspraak in New York gaat de operaster Plácido Domingo diep door het stof. Er zouden in de operawereld meer dan dertig getuigenissen over zijn seksuele wangedrag zijn opgetekend. Domingo nu: „Ik begrijp dat vrouwen bang waren om zich eerlijk uit te spreken, omdat ze zich zorgen maakten over de gevolgen voor hun carrière.”

Het klinkt uiterst berouwvol, maar ik hoor in deze zin ook de nodige hypocrisie. Hij heeft de zorgen van deze vrouwen toch al die jaren bewust geëxploiteerd? Wil hij ons nu doen geloven dat hem pas dankzij #metoo een licht is opgegaan?

Goed, boter op het hoofd van Domingo, maar bij wie eigenlijk niet? Mannen én vrouwen, ze keken weg, haalden hun schouders op, namen al die beschuldigingen met een korrel zout. Kijk naar Meryl Streep die het gedrag van Weinstein na de onthullingen „een schande” noemde, maar hem acht jaar geleden in haar dankwoord voor een Golden Globe nog met God vergeleek.

Dankzij #metoo komen opmerkingen en beschrijvingen van vroeger opeens in een ander, schriller licht te staan. Een lezer stuurde me een exemplaar toe van het literaire tijdschrift De Parelduiker uit 2004. Ik las het artikel waarop hij me geattendeerd had, bladerde verder en stuitte op een interview van Joris van Casteren met de schrijfster Olga Rodenko, de zus van de dichter Paul Rodenko.

Bert Bakker, de uitgever van haar broer, had belangstelling getoond voor haar werk; het moet de beginjaren vijftig zijn geweest. „Bert had op een gegeven moment wel zin in mij”, vertelde ze. „Het kwam erop neer dat als ik een verhouding met hem zou beginnen, hij elke bladzijde zou publiceren. Nou ja, wat is dat voor een uitgangspunt?”

Nu zou zo’n passage veel lezers opvallen, toen heb ik er niemand (ook mezelf niet) over gehoord. Was het wel een aannemelijke beschuldiging? Ik heb er de biografie Victorine van Nienke Begemann uit 1988 op nageslagen.

Daarin vertelt Victorine Hefting, ex-echtgenote van Bert Bakker, onder meer over haar leven met hem. Ze scheidde van hem omdat hij zoop en hoeren in huis haalde, ze voelde zich vernederd. Na het uitspreken van de scheiding voltrok zich „de vreemdste en verschrikkelijkste nacht” van haar leven. Ze logeerde alleen in het huis van een vriend toen Bakker binnenstapte; hij wilde de scheiding ongedaan maken. Vervolgens „wilde Bert me lichamelijk niet met rust laten […] Ik kon dat op geen enkele manier verdragen en heb daar zeer onder geleden, hoewel ik heb getracht hem zo weinig mogelijk te kwetsen door hem op mijn eigen situatie te wijzen.”

Nederland anno 1964 – 53 jaar vóór #metoo.