Reportage

Hulpverleners in Idlib: ‘Ik ben mijn laatste restje hoop en motivatie kwijt’

Idlib In de Syrische provincie Idlib zitten bijna een miljoen mensen klem tussen het Russisch-Syrische offensief en de potdichte Turkse grens. Hulpverleners zijn zelf ook ontheemd. Wie kan hier wie nog helpen?

Boven: Syriërs op de vlucht in Idlib. Honderdduizenden vluchtelingen komen terecht in geïmproviseerde kampen aan de grens met Turkije. Beneden: een kamp deze maand bij de stad Azaz bedekt met sneeuw.
Boven: Syriërs op de vlucht in Idlib. Honderdduizenden vluchtelingen komen terecht in geïmproviseerde kampen aan de grens met Turkije. Beneden: een kamp deze maand bij de stad Azaz bedekt met sneeuw. Foto’s Muhammed Said/Getty, Khalil Ashawi/Reuters

In het kinderziekenhuis in Sarmada, een stadje in de Noord-Syrische provincie Idlib, liggen tientallen pasgeboren baby’s in de couveuse met slangetjes in hun neus. Ze zijn te zwak om zelf te ademen en liggen aan de beademing. „Sommigen zijn er erg slecht aan toe”, zegt Nasser Al-Khalaf, de directeur van het ziekenhuis, aan de telefoon. „Zonder medische zorg zouden ze overlijden. Maar ze zijn óók in levensgevaar door het feit dat ze in het ziekenhuis liggen.”

Sinds het Syrische regime, met steun van Rusland, vorig jaar een offensief lanceerde om de provincie Idlib te heroveren, zijn zeker 83 ziekenhuizen en medische posten gebombardeerd of beschoten. Dit gebeurde ondanks het feit dat hun coördinaten waren doorgegeven aan de strijdende partijen, als onderdeel van het deëscalatieproces. Veel Syriërs zijn er dan ook van overtuigd dat het Assad-regime en Rusland opzettelijk ziekenhuizen bestoken – een oorlogsmisdaad.

De baby’s zijn te zwak om zelf te ademen en liggen aan de beademing.

De coördinaten van het kinderziekenhuis in Sarmada zijn niet doorgegeven. Misschien is dat de reden dat het tot nu toe gespaard is gebleven. Maar het Syrische leger rukt snel op naar het noorden en de frontlinie komt steeds dichterbij. „We leven in voortdurende angst dat het ziekenhuis wordt gebombardeerd”, zegt Al-Khalaf. „Vorige week waren er luchtaanvallen en beschietingen in de buurt. Gelukkig zijn we niet geraakt.”

Het kinderziekenhuis heeft 85 bedden, en er worden dagelijks zo’n 150 patiënten onderzocht. „Dit is het centrale ziekenhuis in de omgeving, waar patiënten worden doorverwezen naar andere plekken”, zegt Al-Khalaf. „Dus we dekken een groot gebied. Door het regeringsoffensief en de enorme vluchtelingenstroom is het aantal patiënten de afgelopen maanden sterk toegenomen, evenals de ernst van hun klachten. Mijn mensen zijn compleet overwerkt.”

Na de bombardementen en beschietingen van vorige week besloot Al-Khalaf voorbereidingen te treffen voor een eventuele evacuatie. Hij belde met ziekenhuizen dichter bij de Turkse grens, maar geen van alle had genoeg capaciteit. „Het probleem is dat veel kinderen beademingsondersteuning nodig hebben. Maar de andere ziekenhuizen hebben daar geen apparatuur voor. Ik zie het heel somber in.”

Hoewel de VN de hulpoperatie in Idlib coördineren, zijn ze vanwege de onveiligheid afhankelijk van Syrische organisaties, die samen ruim 10.000 medewerkers en vrijwilligers in Idlib hebben. De meesten zijn gevestigd in de Zuid-Turkse stad Gaziantep, een zusterstad van Aleppo, waar een derde van de bevolking Syrisch is. Maar hulpverleners voelen zich gefrustreerd en machteloos nu zich vlak over de grens een humanitair drama voltrekt.

„Ik heb aan de Verenigde Naties gevraagd: wanneer evacueer ik het ziekenhuis?”, zegt Mohannad Othman in een Starbucks in Gaziantep. Hij is directeur van de Sham Humanitarian Foundation, een Syrische hulporganisatie die het kinderziekenhuis ondersteunt. „Maar daar hadden de VN geen antwoord op. Daarom wil ik zelf het ziekenhuis bezoeken. Dat is niet zonder gevaar, maar ik wil met eigen ogen zien wat de situatie is voordat ik besluit tot evacuatie. De levens van kinderen staan op het spel.”

Kilometers lange files

Veel Syrische hulpverleners in Idlib zijn zelf ontheemd geraakt, wat de hulpoperatie enorm bemoeilijkt. Pakhuizen met voedsel en medicijnen zijn gebombardeerd. Op de wegen staan kilometers lange files, waardoor het moeilijk is om hulpgoederen te vervoeren. De humanitaire crisis groeit met de dag. Volgens de VN zijn sinds december bijna een miljoen burgers in Idlib op de vlucht geslagen, van wie de helft kinderen.

Door lange files is het moeilijk om hulpgoederen te vervoeren. Foto Abdulaziz Ketaz / AFP

Mark Lowcock, die verantwoordelijk is voor alle noodhulp die wordt gecoördineerd door de VN, sprak vorige week in de Veiligheidsraad van „het grootste humanitaire horrorverhaal van de 21ste eeuw”. „Er is een enorme hulpoperatie gaande aan de grens met Turkije. Maar die is compleet overweldigd. De apparatuur en voorzieningen die door hulpverleners worden gebruikt, zijn beschadigd. Hulpverleners worden zelf op de vlucht gejaagd en vermoord.”

De meeste ontheemden zijn naar de Turkse grens gevlucht, maar die zit potdicht. Er staat een hoge betonnen veiligheidsmuur die versterkt is met prikkeldraad en wachttorens. De Turkse grenspolitie schiet met scherp op iedereen die toch probeert over te steken. Turkije vangt al 3,6 miljoen vluchtelingen op, en staat onder grote Europese druk om een nieuwe toestroom te voorkomen. De Turkse regering probeert daarom zoveel mogelijk hulp te verstrekken in Syrië zélf. Op de modderige heuvels ten zuiden van de grens met Turkije zijn uitgestrekte tentenkampen verrezen, waar de Turkse hulporganisaties IHH en de Rode Halve Maan voedsel, kleding, en dekens uitdelen.

Toch is het grootste probleem op dit moment een gebrek aan onderdak en veiligheid. Volgens de VN verblijven 174.000 ontheemden bij gastgezinnen, 140.000 in officiële kampen en 128.000 in huurwoningen. Dit betekent dat honderdduizenden mensen aangewezen zijn op leegstaande gebouwen of ‘wilde kampen’ zonder enige infrastructuur. Velen hebben nog geen hulp gekregen, en moeten tenten delen met andere gezinnen omdat er niet genoeg plek is.

Photo by Aref Tammawi / AFP
Photo by Aref Tammawi / AFP

„Ontheemden hebben geen duidelijk idee waar ze heen gaan”, zegt Amani Kanjo, projectcoördinator van de hulporganisatie Syria Relief and Development, die duizend medewerkers heeft in Idlib en Noord-Aleppo. „Op elk stukje ongebruikt land hebben ze tenten neergezet. Sommigen hebben zelfs tapijten gespannen tussen de olijfbomen waaronder ze schuilen. Boeren hebben ook tenten neergezet en vragen honderd tot tweehonderd dollar huur per maand.”

Dat is voor de meeste Syriërs echter niet te betalen. Het gemiddelde inkomen van een gezin is vijftig dollar per maand. Na negen jaar oorlog is Syrië een van de armste landen ter wereld. Maar liefst 82 procent van de bevolking leeft onder de armoedegrens. De prijzen zijn sinds begin dit jaar verdubbeld. Als Syrische vluchtelingen in het buitenland niet elke maand geld zouden overmaken, zouden veel gezinnen niet overleven.

Gelukkig is de sneeuw van vorige week gesmolten. Maar door de ongebruikelijke kou zijn diverse kinderen doodgevroren in de kampen. Op sociale media worden foto’s gedeeld van dode baby’s die blauw zien. „Om warm te blijven verbranden mensen afval, kleding en plastic in een soba, een soort draagbare allesbrander”, zegt Kanjo. „Maar dat is een erg slecht idee. Er zijn al diverse mensen overleden als gevolg van koolmonoxidevergiftiging.”

Syriërs op de vlucht in Idlib. Honderdduizenden vluchtelingen komen terecht in geïmproviseerde kampen aan de grens met Turkije.

Foto Muhammed Said/Getty

Kindhuwelijken

In de kampen lopen vrouwen het risico om verkracht of seksueel uitgebuit te worden. Kanjo houdt een lijst met incidenten bij. „Rebellen en hulpverleners misbruiken het feit dat families geen geld hebben en bieden vrouwen geld aan in ruil voor seks. Als vrouwen het wagen om misbruik te melden, worden ze het kamp uitgezet. Ook zijn er veel kindhuwelijken. Syriërs hebben veel kinderen en een uitgehuwelijkte dochter is een mond minder om te voeden.”

Kanjo heeft veel familieleden en vrienden in het noorden van Idlib. „Ze zijn enorm depressief”, vertelt ze in een café in Gaziantep. „Mijn oom wil zijn huis niet meer uit, want de straten zijn vol met mensen die om geld of voedsel bedelen. En hij kan toch niets doen, hij moet aan zijn eigen gezin denken. Mensen raken door hun geld heen, er vindt veel ruilhandel plaats. Medicijnen zijn een luxe die velen zich niet meer kunnen veroorloven.”

Ondanks de erbarmelijke omstandigheden denken Syrische hulporganisaties dat Turkije onder geen beding de grens zal openen voor de ontheemden. Ze kunnen daar zelfs begrip voor opbrengen. Sommigen denken dat Turkije heimelijk aan Europa heeft beloofd om de grens dicht te houden. Maar via bergen en rivieren worden nog altijd mondjesmaat mensen naar Turkije gesmokkeld.

Lees ook: Turkije dreigt met offensief bij Idlib tegen Syrisch regeringsleger

Koerdische provincie

Andere ontheemden trekken verder richting het noorden van Syrië. Maar daar hebben de meesten geen geld voor. Zo’n 300.000 mensen zijn doorgereisd naar de regio’s Afrin en Noord-Aleppo, die onder Turkse controle staan en veiliger zijn dan Idlib. Maar hun komst is daar omstreden, want Afrin was een overwegend Koerdische provincie voor de inval van het Turkse leger en geallieerde Syrische rebellen vorig jaar. De helft van de bevolking vluchtte, wat leidde tot beschuldigingen van etnische zuivering.

Daarom deinzen westerse hulporganisaties ervoor terug om een hulpoperatie op touw te zetten in Afrin. De Syrian NGO Alliance (SNA), een koepel van 22 hulporganisaties, roept hen echter op politieke meningsverschillen met Turkije opzij te zetten en humanitaire overwegingen de doorslag te laten geven. Want Afrin en Noord-Aleppo zijn de enige gebieden die nog relatief veilig zijn. En de tijd dringt: de troepen van Assad rukken op vanuit het westen van Aleppo. Als ze de Turkse grens bereiken, is Idlib omsingeld en zitten ontheemden als ratten in de val.

„Het beschermen van burgers is nu het belangrijkste”, zegt Othman van de Sham Humanitarian Foundation, een van de leden van de SNA. „We kunnen niet blijven reageren op het mislukken van elke nieuwe vredespoging. We hopen dat de Turkse troepen in Idlib in staat zijn om een verdere opmars van het regime te stuiten, zodat we tijd hebben om ons te organiseren en een nieuwe hulpoperatie op touw te zetten. Maar Turkije kan deze last niet alleen dragen, Europa zou moeten helpen.”

Sommige Syrische hulporganisaties zijn al actief in Afrin en Noord-Aleppo. Maar daar is geen goede infrastructuur voor een hulpoperatie van enige omvang. Het is een landelijk gebied, zonder goede gebouwen, wegen, scholen en ziekenhuizen. Bovendien mogen hulporganisaties er geen tentenkampen bouwen. „Het Turkse leger houdt alles onder strikte controle”, zegt projectcoördinator Kanjo. „Geen optimale omstandigheden voor ons om in te werken.”

Kanjo vertelt dat ze een dag eerder naar de cardioloog is geweest omdat ze last had van haar hart. Het bleek hartkramp te zijn van de stress. „Ik wil niet langer werken in deze sector. Ik hoor al vijf jaar hartverscheurende verhalen. Mijn geestelijke gezondheid is verwoest. Ik ben mijn laatste restje hoop en motivatie kwijt. We worden volledig aan ons lot overgelaten, de wereld kijkt zwijgend toe terwijl we worden afgeslacht. We wachten op een interventie van Allah, op een wonder.”