Opinie

Voltooid-leven-wet ondermijnt euthanasiepraktijk

‘Voltooid leven’ is vooral een ideologische discussie, schrijft . Een nieuwe wet is onnodig.
Illustratie Hajo

Vier jaar geleden adviseerde de commissie Voltooid Leven aan minister Schippers van Volksgezondheid (VVD) om niets te veranderen aan de euthanasiewet. Als voorzitter van die commissie ben ik blij met de uitkomsten van het recente Perspectief-onderzoek onder leiding van Els van Wijngaarden naar de doodswens van ouderen die niet ernstig ziek zijn.

De vraag die de onderzoekers van het kabinet moesten beantwoorden was hoeveel mensen nu eigenlijk echt graag dood zouden willen. In ons advies in 2016 konden wij daar niet meer over zeggen dan dat het er waarschijnlijk niet zoveel zijn. Dat bevestigt het Perspectief-onderzoek. Maar veel belangrijker is dat dit onderzoek zo goed laat zien hoe moeilijk het is om van een wens een besluit te maken en dat ook uit te voeren.

Van het hele idee dat mensen verlangen naar de dood omdat hun leven voltooid is, blijft niet veel over. Op ruim 21.000 respondenten van 55 jaar en ouder kwam Van Wijngaarden 23 mensen tegen die zelf wel echt een eind aan hun leven wilden maken, 13 wilden daar hulp bij en 10 gaven aan altijd al een doodswens te hebben gehad. De groep, voor zover je daar al van kunt spreken, bestond vooral uit laagopgeleide en alleen levende vrouwen. Zij piekeren veel, voelen zich eenzaam en zijn bang voor aftakeling.

Lees ook dit interview met Van Wijngaarden: ‘Práát met mensen over hun wens om te sterven’

Een kleine groep

Omgerekend over alle Nederlanders uit die leeftijdsgroep zou het om tienduizend mensen gaan. Nog eens ruim drieëndertig duizend mensen overwegen serieus hun leven te (laten) beëindigen. Relatief is dat een kleine groep, maar absoluut gaat het toch om veel mensen. Van Wijngaarden laat zien dat ook bij een actieve doodswens vaak sprake is van aarzeling en ook wisseling van gevoel. Simpel gezegd, men wil niet altijd dood en meestal ook niet direct, maar leuk is het leven nooit.

Het initiatiefwetsvoorstel dat Tweede Kamerlid Pia Dijkstra namens D66 wil indienen, gaat eigenlijk niet over deze groep. In haar plannen ging het om niet-zieke mensen van minstens 75 jaar, die door gespecialiseerde stervenshulpbegeleiders, niet noodzakelijk artsen, geholpen zouden worden hun leven te beëindigen op het moment dat ze dat zelf willen.

Deze voltooid-leven-wet zou dan naast de huidige euthanasiewet komen. Het is niet moeilijk te voorspellen dat de huidige wet dan al snel obsoleet zal worden, want waarom zou je in geval van ziekte de moeilijke procedure van de huidige wet volgen als het ook via een gemakkelijkere weg kan? Het onderzoek van Els van Wijngaarden laat bovendien zien dat de in de nieuwe wet voorziene drempelleeftijd van 75 jaar niet aansluit op de stervenswens van de grootste groep. Die is gemiddeld veel jonger.

Wel of geen medische grondslag?

De huidige wet Toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding beschermt een arts tegen strafvervolging als hij of zij de in de wet voorgeschreven procedure heeft gevolgd en aan de zorgvuldigheidseisen heeft voldaan. Het handelen van de arts wordt achteraf getoetst door een commissie. In de wet staat niets over leeftijd of ziekte van de patiënt; er moet sprake zijn van „uitzichtloos en ondraaglijk lijden”.

In de Memorie van Toelichting bij de wet en door uitspraken van de Hoge Raad is de interpretatieruimte van de wet beperkt. Er moet sprake zijn van een ‘medische grondslag’. Dat staat haaks op het idee van ‘voltooid leven’, waar het in principe zou gaan om mensen die niet ernstig ziek zijn. Het Van Wijngaarden-onderzoek laat zien dat de gedachte aan een voltooid leven vooral opkomt bij mensen bij wie toch ook sprake is van een ‘medische grondslag’. De afstand tot de huidige euthanasiepraktijk is dan al minder groot dan principieel het geval lijkt.

Voor de voorstanders van een voltooid leven-regeling is de echte steen des aanstoots dat de huidige wet een belangrijke rol toekent aan de arts. De wet maakt euthanasie niet tot een recht van de verzoeker, maar verplicht de arts wel goed te onderzoeken of hij het verzoek kan inwilligen. Dat wordt door de voorstanders gezien als een onaanvaardbare aantasting van de autonomie van degene die uit het leven wil stappen. Zelfdoding is inderdaad een vrijheid en in die zin zou je van autonomie kunnen spreken. Zelfdoding is echter geen recht en hulp bij zelfdoding daarom ook niet, maar strafbaar als de hulp niet door een arts en volgens de regels van de huidige wet wordt gegeven. Het kan ook geen recht worden, omdat het de vrijheid zou aantasten van wie niet behulpzaam wil zijn bij zelfdoding.

Lees ook deze column van Rosanne Hertzberger: Prik door het frame dat ‘voltooid leven’ heet

Hoge Raad moet herzien

De voltooid leven-discussie heeft een sterk ideologisch karakter. Het gaat om het wel of niet in de wet vastleggen van autonomie. In de praktijk zou het voldoende zijn wanneer de tekst van de wet ruimer dan nu geïnterpreteerd mag worden. De Hoge Raad zou eerdere oordelen moeten herzien, en in het belang van de wet kan en mag hij dat ook doen.

De euthanasiewet is nu bijna twintig jaar oud en hoeft zelf niet herzien te worden. Voor de arts zou de in de wet al voorgeschreven procedure en de toetsing per geval achteraf voldoende zekerheid in het handelen moeten geven. In de meeste gevallen zal er, ook al wordt dat niet zo benoemd, wel een ‘medische grondslag’ zijn, maar die hoeft niet zelf ook de grondslag van het verzoek te zijn. Belangrijk is vooral dat de grondslag van de uitvoering in de deskundigheid van een medicus blijft worden gevonden, ook als die beperkt blijft tot hulp bij zelfdoding.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.