Interview

‘Ik was niet meer het kind van voor die tijd’

75 jaar vrijheid Vandaag, 75 jaar geleden, werd de Haagse wijk Bezuidenhout geraakt door een ‘vergissingsbombardement’. Toos van Dam was toen 15: „In één klap was je volwassen.”

‘Ik weet niet veel meer”, waarschuwt Toos van Dam-Kersbergen (89) aan het begin van het gesprek. Maar terwijl ze thee zet, zegt ze: „De geur van puin, die doet me wat. Als het geregend heeft, als puin nat wordt, dan heeft het een bepaalde geur.”

En even later zegt ze: „Lang heb ik moeite gehad met vliegtuigen met van die straaljagergeluiden.” Ze vertelt: „We zagen die dingen overkomen en dan stonden we te wachten tot ze de bocht namen.”

Ze was tien toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, vijftien toen 51 Britse bommenwerpers niet de Duitse V2-raketstellingen in het Haagse Bos raakten, maar de wijk Bezuidenhout – vandaag precies vijftien jaar geleden. Een luchtmachtofficier had een van de coördinaten verwisseld en door de mist konden de piloten niet zien waar ze waren. Ruim 500 mensen kwamen om, duizenden Hagenaars werden dakloos.

Den Haag was niet alleen de stad waar de bezetter zijn hoofdkwartier had, maar het was ook deel van de Duitse kustverdediging. Dwars door woonwijken werd de Atlantikwall gegraven, een reeks van betonnen bunkers en een brede tankgracht. Duizenden inwoners van Scheveningen werden geëvacueerd. Toen de Canadezen op 8 mei 1945 Den Haag binnenreden, was een derde van de stad verwoest of beschadigd.

De straat waar de familie van Toos Kersbergen woonde, de Schiestraat, is er niet meer. Het hoekje van de wijk, tussen het spoor en de Schenkkade, werd niet door het bombardement op die derde maart verwoest, maar een dag later stortte er een V2-raket met zijn explosieve lading neer – en brandde de Schiestraat alsnog uit. „Je was je huis kwijt, je kamertje. Daarna ging je niet meer naar school. In één klap was je volwassen. Die impact had het”, zegt Toos van Dam-Kersbergen nu. „Ik was niet meer het kind van voor die tijd.”

Ze laat een fotoalbum zien. Gered uit het huis aan de Schiestraat, net als de medailles die ze van de wandelvereniging had gekregen. De avond na het bombardement, en nog voor hun huis afbrandde, haalde haar vader met een vriend wat spullen weg. Ze wijst op een foto: een meisje van twaalf met strik, armen langszij en een kleine glimlach. Naast haar vier buurjongens en haar broertje, op de trap van het portiek. Het is een heel gewoon kiekje, midden in de oorlog gemaakt.

Overleven

Toen de oorlog uitbrak waren er vijf kinderen in het gezin: de oudste was 13 en zou in 1944 overlijden, de jongste werd drie maanden na het uitbreken van de oorlog geboren. Ze hebben wat meegemaakt hoor, zegt Van Dam over haar ouders. „Ze hebben echt moeten overleven.”

Haar moeder was huisvrouw en verdiende „een beetje bij met wasjes”. Haar vader was loodgieter, werkte bij een baas en had veel klussen op Scheveningen. Tot de badplaats Sperrgebiet werd en materialen steeds schaarser werden. Wat hij daarna ging doen? Ze weet het niet: „Hij ging wel op de fiets naar zijn werk.” Zoals de dag dat de bommen vielen.

Zoals zovelen van haar generatie heeft ze weinig over de oorlog gesproken. „En omdat we er niet over spraken, bleven herinneringen niet zo helder.” Ze zegt: „Ik denk dat ik me altijd wel vrij heb gevoeld. Je had toen niet zoveel wensen. Als kind deed ik wat ik altijd deed.” Ze zegt: „Ik ging gewoon naar school.” Daarom vindt ze het woord ‘bezetting’ ook een betere term dan oorlog.

Maar zo gewoon was het toch niet, want de school werd gevorderd. „Je ging een halve dag naar een andere school. De andere kinderen ’s morgens en ik ’s middags. Maar dat beschouwde ik als normaal hoor. Mijn ouders waren ook niet paniekerig, ze maakten geen punt van allerlei dingen.” Ook niet toen het volkstuintje dat ze hadden opeens werd verplaatst en er uiteindelijk niet meer was. „Alles veranderde af en toe. Als kind stelde je geen vragen.”

Mooi picknickkoffertje

Maar wat ze zich ook herinnert: het Pinksterweekeinde vlak nadat de Duitsers waren binnengevallen. „Kennelijk was er iets gaande, er stonden Nederlandse militairen bij de kerk.” Ze vertelt: „Moeder had een vluchtkoffertje bij zich, een picknickkoffertje. Het was heel mooi.” Wat daar in zat? „Verzekeringspapieren denk ik. Maar ook daar vroeg je niet naar.”

Ze weet ook nog hoe de ramen verduisterd waren en dichtgeplakt met „een soort plakband. Zodat, als ze braken, het glas nog bleef hangen. Het was dun glas.” En ze herinnert zich hoe er op het spoor, waar de Schiestraat op uitkwam, loodsen stonden met kooltjes. „De handige jongens haalden die weg. Daar liep wel eens een soldaat, dan moest je oppassen. Een keer stond er een wagon met grote brokken, jongetjes klommen daar op. „Das ist doch von Bahnhof”, riep een soldaat. Toen zijn we hard weggelopen. Maar hij werd niet agressief hoor.”

Ze vertelt dat er een huiszoeking was tegen het einde van de oorlog. Radio’s („maar die hadden we niet”) en koper moesten ingeleverd. „Mijn broer – 17 – lag ziek op bed, hij mankeerde iets aan zijn hart. Daarom heeft die huiszoeking denk ik indruk op me gemaakt.” Haar broer overleed voor het einde van de oorlog. „Medicijnen waren er niet.”

En er was honger. Haar grootmoeder, die elders in Den Haag woonde, „ging bijna dood aan de honger”. De spoorwegstaking, die in september 1944 begon om de geallieerden te steunen die het zuiden van Nederland bevrijdden, zorgde ervoor dat er geen voedseltoevoer naar het westen mogelijk was. Nog tot na 1945 zouden Hagenaars overlijden aan de gevolgen van die hongerwinter.

Haagse bleekneusjes

Kinderen – veertigduizend uit het hele westen – werden uit logeren gestuurd om te voorkomen dat ze door de honger zouden sterven. Ze werden ‘bleekneusjes’ genoemd. Met vrachtschepen, bussen, vrachtauto’s en soms fietsend of lopend werden ze ‘naar de boeren’ gebracht, waar wel eten was.

Ook Van Dam: zij kwam in Twente terecht, maar daar was „het niet leuk”. „Ik verstond ze niet en ze hadden al grote kinderen.” Daarna naar Papekop, ten oosten van Gouda, veertig kilometer achterop de fiets bij haar vader. Er waren fruitbomen en koeien kinderen van haar leeftijd, vertelt ze. „Dat was heel mooi, want toen hadden we een adres waar we spullen konden ruilen.”

Ze weet niet meer wát ze precies aan het doen waren, die ochtend van 3 maart 1945, zijzelf, haar moeder en haar broertjes van toen 12 en 4,5 jaar. Het was in elk geval acht minuten over negen toen de 51 Britse bommenwerpers hun luiken openden.

Ze vertelt: „Het begon met beschietingen in de dagen daarvoor. Dan hoorde je een plof en moest je in het portiek blijven, of in de wc. Zodat je veel muren om je heen had.”

Maar die ochtend was het erger. „We moesten weg. Het werd echt veel. Nu zou je het een bommentapijt noemen. Het was niet zo erg als in Dresden, maar toch. Overal waren vlammen. Ik zag ze, ik rook ze.”

Omdat het brandweermaterieel was gevorderd, kon het vuur niet worden bedwongen. Ook ambulances waren gevorderd of zaten zonder benzine, telefoon- en radioverbindingen werkten niet. Een felle noordenwind wakkerde de branden steeds opnieuw aan. „Dit wordt het niet, zou je nu zeggen.”

„Bij ons in het portiek woonde ook een vrouwtje uit Scheveningen met haar kinderen, wier man op zee was. Ze raakte in paniek. Maar moeder bleef kordaat en we gingen lopen.”

Over het spoor en langs de gasfabriek de Binckhorstlaan af, ten zuiden van het spoor. Een onlogische route, die achteraf hun leven redde. Want ten noorden van het spoor vielen ook nog bommen. „Volgens mijn broer zagen we een man met splinters in het gezicht en gewonden die met paard en wagen werden weggehaald. Maar dat weet ik niet meer.”

Witbrood

Met drie kinderen, onder wie een kleuter, op sleeptouw werd het haar moeder te veel. „Niemand had plek of eten. Moeder stuurde ons weg. ‘Ga maar naar Papekop lopen’, zei ze.”

Hoe ze in dat Zuid-Hollandse dorp kwamen? Ze weet het niet meer. Het fietspad over, denkt ze nu. Zij en haar broertje waren bang, dát weet ze nog wel. Steeds als er een vliegtuig kwam, doken ze weg. En ze hadden een Zweeds witbrood onder de arm. In februari was dat brood door het Rode Kruis verspreid en het was een kostbaar bezit.

Hoe het in Den Haag met de rest van de familie was, wisten ze niet, noch dat het bombardement een ‘vergissingsbombardement’ was geweest. „Ik wist sowieso niets. We hadden geen radio. En kinderen werden buiten gesprekken gehouden. Stukje bij beetje kom ik er nu achter hoe de oorlog verliep, ik zag die serie In Europa op televisie met Geert Mak.” De rest van de oorlog zouden ze in Papekop blijven. „We hadden geen huis.” Ze lacht: „Ik heb er leren sokken stoppen.”

Naar school ging ze niet meer. Ze laat haar diploma van de mulo zien. Er staat: ‘Geslaagd op voorstel van het hoofd der school onder goedkeuring van de rijks gecommitteerde de directeur’. Want eindexamen deed Toos van Dam ook nooit. Ze zegt: „Ik heb een hoop gemist aan basiskennis, denk dat ik meer had kunnen leren. Geschiedenis mis ik, en taal. En culturele vorming.”

Terug in Den Haag ging ze naar de Handelsdagschool en leerde ze typen, stenografie en correspondentie. Ze lacht weer: „Die mannen konden in die tijd niet typen hè, en er was geen man die in een brief kon dicteren.” Ze schatert. Ze ontmoette haar echtgenoot, een militair, en woonde met hem onder meer in Alabama in de VS en in Frankrijk.

Naar hun hoekje van de wijk is ze nooit meer terug geweest. Naar Bezuidenhout wel: het lijkt niet meer op vroeger, zegt ze.