Opinie

Haagse ambtenarij is gebaat bij minder rigide doorstroming

bestuursdienst

Commentaar

Te snelle roulatie en te weinig tegengas. Dat is het beeld van de Haagse ambtelijke top dat oprijst uit de tweedelige serie die eind vorige week verscheen in NRC. Ambtenaren staan negatief in de belangstelling. De aanzienlijke lijst met affaires waarin departementen een rol spelen, wijst op een toenemend probleem.

Er is beleid en er is de uitvoering van dat beleid. Bij het laatste gaat het vaak mis. De Haagse vitrinekast met gerolde koppen van daarvoor verantwoordelijk gestelde politici puilt inmiddels behoorlijk uit. Maar hoe staat het met de ambtenaren?

Het was eind vorig jaar tijdens de debatten over de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst een nieuw verschijnsel: de ambtenarij die door de politiek openlijk ter discussie wordt gesteld. Tweede Kamerlid Helga Lodders (VVD) zette de toon met haar motie waarin de regering werd verzocht te onderzoeken hoe kan worden voorkomen dat „slecht functionerende ambtenaren weggepromoveerd” worden. Om voldoende steun te krijgen nuanceerde zij haar tekst en werd van ‘wegpromoveren’ „elders een plek krijgen” gemaakt. De motie kreeg vervolgens een grote meerderheid met alleen stemmen tegen van PvdA en Denk.

Het geeft te denken dat een zo groot deel van de volksvertegenwoordiging zich zo direct met de ambtenaren meent te moeten bemoeien. De oproep tot een onderzoek lijkt onschuldig, maar vooral de aanvankelijk gekozen ondertoon verraadt een groot wantrouwen. Wantrouwen dat funest is voor het goed kunnen functioneren van de ambtenarij, één van de vaste instituties van de samenleving.

Vanzelfsprekend moeten ambtenaren die fouten maken hierop kunnen worden aangesproken: door hun superieuren. Maar Kamerleden dienen zich te bezig te houden met de politiek verantwoordelijke bewindspersonen en niet met de onder hen ressorterende ambtenaren die op deze manier vogelvrij worden.

De toorn van de parlementariërs is des te opmerkelijker omdat het begin jaren negentig ten tijde van het debat over bestuurlijke vernieuwing (dat ook toen al gevoerd werd) juist de Tweede Kamer was die aandrong op het snel tot stand brengen van een Algemene Bestuursdienst (ABD). Die zou de beruchte departementale verkokering moeten doorbreken. Nu worden negatieve gevolgen van het doctrinair naleven van de loopbaanregels van de in 1995 ingestelde Bestuursdienst meer en meer zichtbaar.

Zoals voor elke organisatie geldt ook voor ministeries dat gestreefd moet worden naar een balans tussen continuïteit en vernieuwing. Kennis en ervaring zijn van grote waarde, maar kunnen noodzakelijke verandering in de weg staan. Een in de Algemene Bestuursdienst tot uitdrukking gebracht doorstromingsmodel dat ook nog eens dwars door de departementen heen loopt, kan verstarring doorbreken. Maar als dit ertoe leidt dat alle inhoudelijke expertise plaatsmaakt voor ‘procesbegeleiders’ is er toch wat misgegaan. De overheid is hierin overigens niet uniek. Ook bij een bedrijf als Shell was ooit de klacht dat de managers het hadden overgenomen van de ingenieurs met alle negatieve effecten van dien voor het innovatief vermogen.

Het is zaak dat in de ambtelijke dienst het evenwicht en daarmee de rust terugkeert. Als een derde van de toplaag van overheidsmanagers niet langer dan drie jaar op zijn of haar post blijft zitten, is dat een recept voor ongelukken. De minister uit de wind houden wordt belangrijker dan uitvoerbaar beleid. Dat kan en mag nooit de bedoeling zijn.