Opinie

Fair practice bij cultuur? Dan ook boter bij de vis

Cultuurbeleid De cultuursector wil eerlijk belonen, en dat kan als de overheid een andere economische bril opzet, denkt .
Rosa van Leeuwen als Lampje in de gelijknamige voorstelling van het Maas-theater, naar het boek van Annet Schaap. Zonder compensatie van ‘Fair practice-beloning’ zouden er jaarlijks 559 (19 procent) minder uitvoeringen zijn van kleine theatergezelschappen.
Rosa van Leeuwen als Lampje in de gelijknamige voorstelling van het Maas-theater, naar het boek van Annet Schaap. Zonder compensatie van ‘Fair practice-beloning’ zouden er jaarlijks 559 (19 procent) minder uitvoeringen zijn van kleine theatergezelschappen. Foto Phile Deprez

Of de boeren zich fair opstellen valt te betwijfelen, maar ze willen wel ‘fair’ behandeld worden in ruil voor hun milieu-inspanningen, ook al waren er voor hen al veel steun- en compensatiemaatregelen beschikbaar. En wie weet is er toch nog méér nodig.

De culturele en creatieve sector werkt zonder veel beslag op het klimaat of de energievoorraad en kent weinig indrukwekkende steunmaatregelen. De sector biedt veelal kwalitatief hoogwaardig werk aan meer dan tweehonderdduizend mensen en draagt volgens cijfers van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zo’n 2,3 procent bij aan het bbp. Faire behandeling is ook bij cultuur onderwerp van gesprek, maar met tractoren of stakingen valt die niet af te dwingen.

‘Fair practice’ – het invoeren van loon naar werk bij culturele instellingen, gezelschappen en festivals die worden gesubsidieerd door het Rijk – is als thema wel goed onder de aandacht gebracht. Minister Van Engelshoven (OCW, D66), wethouders en gedeputeerden hebben het omarmd. Zo stevig zelfs dat velen denken dat die Fair Practice Code van bovenaf komt en niet vanuit makers en instellingen zelf. Maar wie betaalt de prijs?

Lees ook: De twee dilemma’s van de minister voor cultuur

Eigen verdienvermogen

Een eerlijke, gezonde praktijk is méér dan alleen eerlijk belonen. Fair practice maakt deel uit van de bredere arbeidsmarktagenda die het culturele ‘veld’ samen met de Raad voor Cultuur en de SER hebben opgesteld. De sector cultuur en creatieve industrie is breed en omvat ook architecten, bibliotheekmedewerkers, choreografen, dj’s, museumsuppoosten, muziekschooldocenten, ontwerpers, popmusici, etcetera.

Met deze agenda neemt de sector zelf verantwoordelijkheid voor betere arbeidsvoorwaarden, scholing en professionalisering en het versterken van het eigen verdienvermogen. De vrije markt speelt hierin een grote rol. Die is voor de een gunstig en royaal, voor de ander net voldoende, en schiet voor weer anderen tekort. Lang niet altijd hangt dat samen met de inhoudelijke waarde van het aanbod. De bezuinigingen uit 2011 door ‘Rutte I’ ter waarde van 200 miljoen euro hebben nog steeds schrijnende effecten op werkgelegenheid en verdienvermogen.

Voor een deel van de sector dat minder afhankelijk is van subsidies, is de markt zich na de crisis gaan herstellen, maar een garantie voor fair practice is ook dat niet. De minister van OCW zet zich in voor het verbeteren van de arbeidsmarkt. Haar cultuurfondsen – waaruit gezelschappen, instellingen, producties en ensembles die geen directe subsidie van het Rijk krijgen gesubsidieerd kunnen worden – krijgen meer ruimte voor ‘fair pay’. Voor de basisinstellingen in het cultuurbestel – zoals de grote musea en gezelschappen – is zij streng op naleving van de Fair Practice Code, echter zonder er middelen bij te leveren. Bij gemeenten en provincies zie je hetzelfde. Dus moeten instellingen zuiniger produceren, of minder.

Lees ook: Eerlijk belonen in de culturele sector kost twintig miljoen

Minder opdrachten

Dat dwingt hen tot keuzes. Terecht worden zij op hun eigen verantwoordelijkheid aangesproken, maar het brengt volgens het rapport dat de minister eerder deze maand naar de Kamer stuurde ook nieuwe effecten teweeg: minder eigen inkomsten en minder producties betekent minder opdrachten aan freelancers, zoals fotografen, toneelschrijvers, componisten of ontwerpers.

De minister mag dus zeker actie van de instellingen verwachten, maar boter bij de vis – toeslagen op subsidies – helpt dan wel. Haar terughoudendheid als semi-werkgever is geen goed voorbeeld naar anderen.

Maar daarnaast is het kabinet als geheel aan zet. De problemen in deze sector vallen niet los te zien van het grotere geheel. Zie het debat over de positie, inkomen en sociale voorzieningen van freelancers en zzp’ers.

Zie ook de economische wetmatigheid dat sommige sectoren in de problemen komen doordat hun productiviteit nu eenmaal niet of te weinig kan stijgen: een orkest kan bijvoorbeeld niet efficiënter werken door een Beethoven-symfonie korter te spelen. En zie de vrije markt die aan de uiteinden rafels vertoont: aan de ene kant de miljoenen voor een kunstenaar als Damien Hirst – die er zelf niet gelukkig mee is en er artistiek ‘mee speelt’ – en aan de andere kant waardevolle diensten en goederen die economisch niet meer uit kunnen; denk aan jazzmuzikanten die een geweldige naam hebben, maar toch een schijntje verdienen.

De culturele en creatieve sector zou een uitstekend pilot-gebied kunnen zijn voor een nieuwe kijk op sociaal-economisch en bedrijfseconomisch handelen. En op de rol die de overheid heeft te spelen. Dat valt niet met tractoren af te dwingen. Hier helpt alleen het inzicht hoe leeg het land is zonder cultuur, hoe ‘onvrij’ een markt die we niet meer kunnen beheersen, hoe kwetsbaar een land met toenemende inkomensongelijkheid.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.