Opinie

Mezelf zijn

Ellen Deckwitz

Het neefje (11) wilde een keer Carnaval meemaken en zo trokken we naar de stad waar mijn zus en ik als tieners het meermaals hebben gevierd. Het neefje had echter verwachtingen. Wekenlang werkte hij aan zijn Godzilla-kostuum, om eenmaal verkleed de hele tijd te moeten uitleggen dat hij geen dinosaurus was.

„Carnaval is gewoon een soort discount-cosplay”, zei hij teleurgesteld, terwijl hij chagrijnig naar zijn moeder keek, die zich voor de gelegenheid blauw had geschminkt, een tros plastic granaten had omgehangen en zo een belastingaanslag moest voorstellen. Rond een uurtje of vier waren het feest en het gemiddelde promillage op hun hoogtepunt en kon je elkaar door al dat gehos, gejoel en getong bijna niet meer verstaan.

„Carnaval is eigenlijk een kijkje achter de schermen”, schreeuwde mijn neefje.

„Waarvan?”, riep ik terug.

„Van grote mensen. Opeens zie je hoe ze zijn als ze even niet volwassen hoeven te doen. Het zijn gewoon kinderen, maar dan met stemrecht en een baan.” Daar wilde mijn zus wat tegen inbrengen maar toen stuiterde er net een groep veertigers voorbij, die verkleed als de Troetelbeertjes een wat toondove versie van ‘Er staat een paard in de gang’ inzette. „Een dinosaurus!”, joelde er eentje toen hij mijn neefje opmerkte.

‘Bij Carnaval vier je dat je even niet jezelf hoeft te zijn”, zei mijn zus.

„Volgens mij is het gewoon een excuus om dronken te worden”, zei mijn neefje.

„Dat is voor velen hetzelfde”, zei mijn zus.

„Met Carnaval”, vulde ik aan, „vier je dat je even iets heel anders mag zijn dan normaal. Opeens mag je doen alsof je een monster bent, of een bankier, of een superheld. Opeens mag je alles roepen wat je vindt zonder meteen ruzie te krijgen en kunnen we de wereld gezamenlijk belachelijk maken. Carnaval is een vakantie van onszelf.”

„Tenzij je een kind bent”, kaatste het neefje terug, „want dan mag je niet drinken, kijken ze raar op als je in het openbaar met iemand loopt te zoenen, kan je geen sigaret opsteken zonder dat iedereen meteen hysterisch wordt. Je mag geen snoep aannemen van vreemden, iedereen let op je zodat je niets stukmaakt. Je kan niet in sexy kleren over straat want dan krijgen je ouders meteen Bureau Jeugdzorg op hun dak. Volwassenen bemoeien zich de hele tijd met je. Zelfs verkleden werkt niet, want dan zien ze nog steeds dat je klein bent en behandelen ze je vervolgens alsnog alsof je hersenletsel hebt.”

Het neefje deed zijn monstermasker af.

„Ik vind het belachelijk dat ik altijd maar mezelf moet zijn”, zei hij, en bestelde nog een spa rood.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.