Merlijn Doomernik

Interview

‘Meer belcanto, Nederlanders en vrouwen in nieuw operaseizoen’

Sophie de Lint, directeur De Nationale Opera Maandag presenteerde Sophie de Lint (45) haar eerste seizoen als directeur van De Nationale Opera (DNO). Een gesprek over puzzels, reizen en stemmen.

Bij haar aantreden in 2018 was er een kennismakingslunch. Sophie de Lint sprak openhartig over alles wat ter tafel kwam, maar interviews hield ze af. Eerst wilde ze de organisatie leren kennen – en vice versa. Wekenlang liet ze zich door het theater gidsen om alle afdelingen te leren kennen. Dat leverde nieuwe inzichten op, vertelt ze in haar directiekamer – kleiner dan voorheen die van Pierre Audi, maar direct grenzend aan artistieke administratie.

„Ik kom hier al jaren en verbaasde me over het Amsterdamse operapubliek: losjes in de foyers, geconcentreerd in de zaal”, zegt ze. „Maar nu pas werd ik me echt bewust van de kwaliteit van het koor en van de decors- en kostuumafdeling: vrijwel onovertroffen in Europa. Daarom komen regisseurs hier ook zo graag. Omdat er zo veel mogelijk is, kunnen ze in hun ideeën net wat verder gaan.”

Op haar bureau staat een familiefoto uit 1977. Vier blozende kleuters in Volendamse klederdracht in een Zwitserse boomgaard. „We waren daar net van Rotterdam naar Genève verhuisd”, wijst ze. „Ik ben die kleine dikke. Ik heb later nog een spreekbeurt gehouden over Nederland, mét dat kostuum, Haagse hopjes en Goudse kaas. Groot succes.”

Belcanto, Nederlanders, vrouwen

Sophie de Lint is in dna geheel Nederlands, in afkomst Zwitsers. Ze woonde vanaf haar tweede in Genève, jaren op een Britse kostschool niet meegerekend. Haar nationaliteit is Zwitsers en Nederlands. Haar Nederlandse spreekvaardigheid is vooralsnog rudimentair, maar daaraan wordt gewerkt.

„Hoe meer ik gewend raak aan de vergadercultuur, het polderen en het complexe gegeven dat een besluit hier nooit helemaal vaststaat, hoe Nederlandser ik me begin te voelen”, zegt ze.

Ze fietst ook al sneller – en zelfs zonder helm. Kocht een appartement in de buurt van Artis. En werd in de mazen van haar 120-urige werkweek verliefd op een Amsterdamse zakenvrouw met een vergelijkbaar werkritme. „Dat dat gebeurt zegt ook iets, denk ik. Dat je wilt aarden.”

Haar voorganger, Pierre Audi, was dertig jaar artistiek directeur van De Nationale Opera: een internationaal ongekend record. De identiteit van DNO is daardoor onvervreemdbaar verknoopt met het signatuur van Audi, erkent ze: „Dit is een 21ste-eeuws huis, waar een recordaantal opera’s in wereldpremière zijn gegaan en waar de theatrale aanpak van het grote operarepertoire ook eigentijds is.”

Omdat opera lang vooruit wordt gepland, landde De Lint als nieuwe directeur in twee seizoenen die nog grotendeels door Audi waren geprogrammeerd – al was ze al wel verantwoordelijk voor de aanstelling van de nieuwe chef-dirigent Lorenzo Viotti.

Het komend seizoen is haar eerste eigen seizoen. En daaraan valt direct veel op te merken. Nieuwe genres. Meer belcanto. Meer Nederlanders. Meer vrouwen.

Hoe ging u te werk? Heeft u dertig jaar DNO-programmering bestudeerd en de hiaten genoteerd?

„Onder andere. Zo beginnen we met een belcanto-cyclus, en in het volgend seizoen met een Puccini-reeks. Ook komen er meer familie-opera’s en willen we opera en ballet meer samenbrengen – zowel in voorstellingen als in het bedrijf. Qua planning, voorbereiding en financiering zijn zulke samenwerkingsprojecten ingewikkeld, maar daar ligt ook de uitdaging van dit werk.

„Aan het einde van elk kunstenplan moeten we break-even draaien. Als je het ene seizoen iets exorbitants wil, moet je je het volgende dus inhouden. Natuurlijk heb ook ik dromen; grote en gewaagde projecten als recent Stockhausens Aus Licht passen bij dit huis, bij deze stad. Maar niet meteen. Timing is belangrijk.”

U begint met Boito’s Mefistofele. Geen ijzeren repertoire; in 50 jaar één keer bij DNO te zien geweest. Hoezo?

„Mijn eerste voorstelling moet een statement zijn; een liefst niet te bekende opera waarin alle geledingen van DNO zich van de sterkste kant zouden kunnen laten zien; koor, decors-, kostuumateliers. Maar de keuze is ook persoonlijk. Als tiener draaide ik Mefistofele op vol volume grijs, tot afschuw van mijn familie. De regisseur met wie ik graag wilde werken, Tatjana Gürbaca, gaf aan ook graag Mefistofele te doen. Muzikaal is de hoorbare schatplichtigheid aan Verdi en Wagner binnen een Italiaanse opera natuurlijk interessant. Tenslotte: de Faust-thematiek is actueel, én er zit humor in.” Lachend: „Het kon dus eigenlijk niet beter.”

Pierre Audi werkte met tienjarenplannen en componistenthema’s. U komt met een “Tudor-trilogie” en drie Faust-opera’s in één seizoen. Is thematisch programmeren uw troef?

„Niet alleen, ik zie mezelf vooral als een matchmaker. Hoe kunnen we de carrière van regisseur Jetske Mijnssen, internationaal succesvol maar hier nog niet gedebuteerd, meerjarig medevormgeven? Er lag een hiaat bij belcanto, wat ons bracht op Donizetti’s Tudor-trilogie: eerst Anna Bolena, daarna Maria Stuarda en Roberto Devereux. Zo’n keuze leidt dan vanzelf tot de volgende. Belcanto draait om stemmen en werkt in dit akoestisch uitdagende theater alleen als de dirigent en de regisseur nauw samenwerken. Bijgevolg: je moet een gespecialiseerd dirigent kiezen die dat leuk vindt, en zangers casten met belcantostemmen én acteertalent.”

Een puzzel.

„Ja, het zíjn deels puzzels. De Puccini-cyclus die we volgend seizoen beginnen wordt gedirigeerd door onze dan aantredende chef-dirigent, Lorenzo Viotti. Daar hoort dan dus ook een van de beste regisseurs bij. Voor mij is dat Barrie Kosky, intendant van de Komische Oper in Berlijn. Kosky komt voortaan elk seizoen, Amsterdam wordt een beetje zijn tweede huis.”

Is het ook uw taak om talent te ontdekken, of is daar de casting director voor?

„Het is teamwork en ik werk nauw samen met mijn hoofd artistieke zaken en het hoofd van de Opera Studio, maar ik vind het zeker heel belangrijk. Daarom reis ik ook zo veel. DNO is een ideaal huis voor zangers die op hoog niveau nieuwe rollen willen proberen.”

Want?

„In vergelijking met New York of Milaan is Amsterdam open, modern. Het publiek verwacht verrassingen en nieuwe namen. Mits het goede zijn.”

Toch lijkt het er ook op dat er onder uw leiding Beroemdere Zangers komen.

„Dat weet ik niet. Maar als je snel bent, kun je grote zangers wel verleiden hier nieuwe rollen uit te proberen. In Wagners Der fliegende Holländer maakt Elza van den Heever haar roldebuut als Senta, daarna zingt ze die rol in New York. In Aida zingt Anita Rachvelishvili Amneris – deels uit loyaliteit, deels omdat ze graag met regisseur Dmitri Tsjerniakov wil werken. En Marina Rebeka (Anna Bolena) is inderdaad dé belcantozangeres van nu, maar wij bieden haar dan ook die hele Tudor-trilogie. Relatiebeheer en vooruit kijken zijn cruciaal.”

Uw eerste seizoen oogt afgewogen. Wagner, Händel, Italiaanse opera’s, eigentijds repertoire, operette … Is er een gouden formule?

„De Nationale Opera is er voor iedereen, dus moeten we ook voor elk wat wils brengen – in repertoire én aanpak. Ik vind het heel goed dat we met Die lustige Witwe operette doen, maar ik ben ook blij dat regisseur Christof Loy maatschappijkritisch aansluiting zoekt bij het Nederland van nu.”

In die productie maakt ook Henk Poort, musicalster uit de jaren 90, zijn laat DNO-debuut. Opmerkelijk.

„We zochten een breed aansprekende persoonlijkheid voor de rol van baron Zeta. Dat Poort misschien een ander publiek trekt zou een plus kunnen zijn. Maar het ging er vooral om dat hij de juiste was voor het regieconcept. Net zoals de Nederlandse bariton Thomas Oliemans een ideale cast is voor de rol van graaf Danilo.”

Lees ook: Nationale Opera & Ballet is wereldtop, nu nog een jonger publiek trekken

Is nieuw publiek trekken een speerpunt?

„Natuurlijk. We proberen op allerlei manieren bruggen te slaan, jongeren te trekken, opera zichtbaar te maken in de stad en zo een diverser publiek te trekken. Dat kost tijd, inspanning.”

De kaartjes zijn te duur, hoor ik vaak.

„Er zijn genoeg goedkope tickets, en in ons theater zit je eigenlijk overal goed. Maar je moet er wel snel bij zijn.”

Nog even over de uitdaging van het trekken van een diverser publiek: ik heb ook wel eens gehoord dat gestreefd zou worden naar één zanger van kleur per productie.

,,Opera is bij uitstek een internationale kunstvorm. We werken met artiesten die overal ter wereld vandaan komen omdat we oog hebben voor kwaliteit en diversiteit. Diversiteit binnen de opera in relatie tot onze diverse samenleving is een constant aandachtspunt.”

U presenteert ook veel Nederlandse én een opvallend aantal vrouwelijke regisseurs en dirigenten. Ongeveer het dubbele van het huidige seizoen, turfde ik.

„Goede artiesten en die Nederlands zijn of in Nederland hebben gestudeerd, moeten hier een kans krijgen. Voor vrouwen geldt: we engageren de beste regisseurs en dirigenten, ongeacht geslacht of afkomst. De dirigenten van Alice en Innocence zijn vrouw, maar ze zijn bovenal de besten in nieuwe muziek. Ik doe niet aan quota.”

Toch: dat u met algemeen directeur Els van der Plas een vrouwenteam vormt, is in de internationale operawereld wel uniek.

„Maar het zegt niks! In Zürich werkte ik met een mannelijk team en dat liep geweldig. Als het maar competente, vriendelijke mensen zijn. Wat niet wegneemt dat ik wél vind dat je vrouwen kansen moet geven.”

Audi was als succesvol regisseur vaak afwezig. DNO wierf met u bewust een manager-directeur, die er vaker is. Kunt u zomaar een werkweek schetsen?

„Mag het deze week zijn? Maandag tot en met woensdag ben ik hier, in het theater. Donderdag reis ik naar Moskou om een jonge vrouwelijke dirigent aan het werk te horen. Vrijdag zit ik bij audities en heb ik afspraken. ’s Avonds zie ik Sadko in de nieuwe regie van Dmitri Tsjerniakov, die volgend seizoen bij ons Aida doet. Om één uur ’s nachts tref ik dan nog Kirill Serebrennikov, een van de grootste Russische theaterregisseurs. Zaterdag vlieg ik naar Milaan voor een gesprek met onze toekomstige chef-dirigent Lorenzo Viotti en aansluitend zie ik zijn laatste Roméo en Juliette. Zondag ben ik weer thuis.”

En uitgeput.

„Dat komt voor. Dit is geen werk, dit is een way of life – en een die veel discipline eist. Als je het goed wilt doen, is het een voortdurend schakelen tussen korte en lange termijn. Als ik op kantoor ben, gaat het grotendeels over het hier en nu. Als ik reis, zoom ik uit. Drie dagen geleden was ik na New York, Londen en vergaderingen met de Raad van Toezicht erg toe aan ontspanning. Een gepland weekendje Zürich heb ik toen last minute afgezegd. Ik heb met mijn vriendin lange wandelingen door Amsterdam gemaakt, gewinkeld en lekker gegeten. Maandag was ik weer hersteld. Vergeet niet: ik krijg heel veel terug voor mijn werk. Blije artiesten in huis maken mij blij, omdat ik weet dat blije artiesten aan de basis liggen van een blij publiek. Een domino-effect.”