Opinie

Azen Mali en Monaco op onze boerengrond?

Menno Tamminga

Het is een harde wereld en de omgangsvormen in de internationale politiek worden ruwer. Protectionisme? Ja! Zelfs Nederland, decennia een baken van onbekommerde liberale handels- en investeringspolitiek, past zich aan. Het kabinet stelt zich de vraag: welke sectoren zijn van zulk nationaal belang dat zij beschermd moeten worden tegen snode buitenlandse investeerders?

Gas, water en elektriciteitsnetten zijn al staatsbezit. Ook de aandelen van De Nederlandsche Bank (DNB) zijn niet te koop, merkte een rapport van het Amerikaanse Congres ruim tien jaar geleden op. Dat was toen een van de weinige ondernemingen die je als buitenlandse opkoper kon vergeten.

Dat geldt inmiddels voor meer bedrijven en sectoren. Met formele en informele regels beschermen politici ‘nationaal economisch erfgoed’. PostNL is bijvoorbeeld wel beursgenoteerd en in theorie dus te koop. Maar de Belgische concurrent Bpost stuitte bij een overnamepoging tweemaal op een politiek ‘nee’. Voor de bescherming van telecombedrijven, zoals KPN, komt aparte wetgeving. Die schiet overigens niet op, dus zo’n hoge politieke prioriteit heeft die bescherming ook weer niet. Nederland schippert tussen vrijhandel en bescherming. Zie ook de modderige politieke besluitvorming waarin het Europees-Canadese vrijhandelsverdrag CETA kan vastlopen.

Lees ook dit opinieverhaal van Julia Rijssenbeek: Voedsel is geopolitiek, en Afrika heeft de toekomst

Maar er is meer dan post en telecom. De afgelopen jaren hebben onderzoekers en politici zich afgevraagd of Nederlandse landbouwgronden beschermd moeten worden tegen buitenlandse investeerders. Eigen grond eerst. Bescherming hoeft niet meteen een verbod op grondaankopen te zijn. Om te beginnen kun je een meldingsplicht instellen. Aankopen lopen via het Kadaster, dus je hebt een neutraal instituut dat de gegevens bijhoudt.

Het idee dat landbouwgrond net als gas, telecom en DNB van vitaal belang is, kwam begin 2017 van de toenmalige CDA-leider Sybrand Buma. In een interview in NRC tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen pleitte hijvoor voedselveiligheid. „Denk aan de Chinezen die overal landbouwgrond opkopen. Stel je voor dat ze ook Campina overnemen. Dan is onze hele voedselsector straks in handen van Chinezen die zelf hun bevolking moeten voeden. Hoe naïef kunnen we zijn?”

Zo kwamen de Haagse radertjes op gang. Een debat. Een motie. Landbouwgrond beschermen, is dat wat?

Afgelopen woensdag kwam het verlossende woord. Terwijl de Farmers Defence Force in Den Haag tegen het kabinet protesteerde, stuurde minister Carola Schouten (Landbouw, ChristenUnie) een brief naar de Tweede Kamer met de conclusie: gaat u allen rustig slapen.

Hoewel de onderzoekers van de universiteit in Wageningen schrijven dat ze geen sluitend beeld hebben van de buitenlandse aankopen, zegt minister Schouten: „De cijfers geven gelukkig geen aanleiding tot acute zorgen.”

Jaarlijks kopen buitenlandse investeerders 0,06 procent van de landbouwgrond. Aan kop gaan België, Duitsland en Zwitserland. Die laatste naam suggereert dat landbouwgrond een sjiek beleggingsidee kan worden. Er zitten ook verrassende namen bij de grotere kopers: Mali, Aruba en Monaco.

Schouten wil de transacties goed blijven monitoren. Maar waarom doet ze niet meer? Als de overheid in het antistikstofbeleid boeren wil uitkopen, is het wel zo praktisch als buitenlandse opkopers (Chinese staatslandbouwbedrijven? Amerikaanse hedgefondsen?) niet eerst de prijzen hebben opgedreven. Bovendien: de combinatie boeren, ‘onze’ grond en nationale identiteit is een evidente politieke formule.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.