Opinie

Niets bijzonders

Marcel van Roosmalen

Ik zat naast een dorpsgenoot op een stoel bij de apotheek. Hij zei met gedempte stem: „Ik herken jou wel, maar dat roep ik niet keihard door de ruimte. Waarom zou ik?” Inderdaad, waarom zou hij?

Hij: „Ik doe dat nooit, want zo bijzonder is het nu ook weer niet dat wij elkaar tegenkomen.”

We waren even stil.

Hij boog zich naar me toe.

„Ik ging vorige week naar het OLVG in Amsterdam. Voor mijn rug, daar zitten pinnen in. Driemaal raden wie ik daar tegenkwam…”

Ik had geen idee, dat kon natuurlijk iedereen zijn, maar de opa van mijn kleinkinderen lag het meest voor de hand.

Hij: „O, die ken ik ook. Wat heeft hij dan?”

Daarna deed hij na hoe Sven Kramer, want over hem had hij het, erbij had gezeten in de wachtruimte van het ziekenhuis. Muts tot ver over de oren getrokken, verdiept in een tijdschrift.

„Ik denk dat ik de enige was die in de gaten had dat hij Sven Kramer was. Dat voelde hij want op een zeker moment keek hij me aan en toen knikte ik ’m bemoedigend toe. Zo van: van mij zullen ze niet horen dat jij hier zit.”

Hij viste zijn iPhone uit zijn jaszak en liet een foto zien.

Het zou inderdaad Sven Kramer kunnen zijn.

Hij: „Ik vind het niets bijzonders hoor, met Sven Kramer in dezelfde wachtruimte. Echt, ik kijk niet op of om. Ik snap de mensen niet die zoiets bijzonder vinden. Die maken van zichzelf niets mee. Die hebben geen eigen leven.”

Daarna had hij het over de lengte van Sven Kramer. „Heb jij ’m ooit ontmoet? Nou op televisie is dat echt een reus, toch? In het echt niet, net zo klein als ik. Op televisie, in zo’n pak, ziet het er imponerend uit. Het is het camerastandpunt. Schaatsers worden altijd van onderen gefilmd.”

Hij keek naar buiten.

Er was een tak van een boom gewaaid.

„Even zo goed liep het slecht af”, zei hij. „Die dokter kwam de wachtruimte binnen en riep heel hard ‘Sven Kramer’. Iedereen keek ervan op. Ik niet. Ik dacht: jongens niet staren, doe toch normaal. En dat heb ik ook gezegd toen hij, hij had nog steeds die muts op, met de arts weg liep. Ik heb tegen de rest gezegd: ‘Jongens, dat was inderdaad Sven Kramer, die gaat ook naar de dokter. En hij gaat ook gewoon naar de wc, net als jij en ik. Het is niets bijzonders.’”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.