Opinie

Epkes spierballen doen een dutje

Wilfried de Jong

Terwijl Epke Zonderland zijn Japanse concurrent Hidetaka Miyachi omhelsde, keek ik vol ontzag naar een spierbal van de Nederlandse turner. Het was een glanzende, gespannen bol waar een ader als een riviertje overheen kronkelde. Ik maakte een vuist en voelde aan mijn bovenarm. Door de stof van het colbert heen groeide een halve tennisbal. Dit was geen spierbal te noemen, hooguit een biceps die met tegenzin even gapend uit zijn slaaphol was gekropen.

Zonderland kreeg tijdens de wereldbekerwedstrijd alle lof toegezwaaid vanwege zijn doorzettingsvermogen de afgelopen maanden. Door een bijna perfecte oefening aan de rekstok in Melbourne ligt hij weer op koers om deel te kunnen nemen aan de Olympische Spelen in Tokio, vooral ook omdat het erop lijkt dat Miyachi de onderlinge strijd heeft opgegeven.

Hoeveel trainingsuren zaten er in Zonderlands bovenarmen?

Internetfilmpjes van vlotte boys – scheel van de pillen en preparaten – doen je geloven dat je met een paar uur sjorren aan apparaten in een sportschool naderhand uit je shirtje scheurt.

Klinkklare onzin.

Elke spier, óók een oude, is te trainen maar het kost je weken, zo niet maanden voor enig zichtbaar resultaat. In turnhallen heb ik topsporters hun training zien doen. Het is een loodzware combinatie van kracht en souplesse. Dag in, dag uit. De spieren kunnen nog zo hard groeien, in de weg zitten tijdens een oefening mogen ze nooit.

Het afgelopen najaar heb ik mijn bovenarmen moeten trainen voor een retrospectief in het theater van voorstellingen van Waardenberg en De Jong. Mijn collega en ik wilden graag een oude turnact op toneel brengen.

In een loods hingen twee paar ringen voor ons klaar. Op de eerste repetitiedag gingen we eronder staan. Met pijn en moeite kreeg ik zo’n ouderwets ‘vogelnestje’ voor elkaar. Onder me zag ik Van Waardenberg met een bedrukt gezicht nog altijd op de grond staan, de handen in de ringen.

„Ik krijg mijn eigen gewicht niet meer omhoog”, zei hij.

Pas na zes weken trainen (en in het geval van mijn collega kilo’s afvallen) hadden we de act onder controle. Vanuit de zaal zag het er misschien aardig uit, maar het stelde natuurlijk niets voor als je het met echte turners vergeleek.

Mijn beroep zou het niet zijn, dat professionele turnen. Al die oefeningen in zo’n sporthal waar het daglicht geen kans krijgt en de geur van zweet en magnesium hangt. En als je spieren dan eindelijk krachtig en rijk doorbloed zijn, moet je tijdens de wedstrijd in één minuut je oefening vlekkeloos uitvoeren.

Turnen is een loodzware en soms ondankbare sport; een hapering of een inschattingsfout en je lange afzondering in die trainingshal is tevergeefs geweest.

De man op de bank gebruikte zijn halve tennisbal om thuis een kop koffie op te tillen en zag ondertussen hoe de formidabele spierballen van Epke Zonderland na zijn oefening onder zijn huid een dutje deden.

Het werk zat erop.

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.