Museum: stop ‘blockbusters’

Grote tentoonstellingen De Lakenhal in Leiden wil geen grote, maar tijdelijke publiekstrekkers meer. Die zijn te duur en putten de museumorganisatie uit.

Museum de Lakenhal in Leiden.
Museum de Lakenhal in Leiden. Foto PHIL NIJHUIS / ANP

Museum De Lakenhal in Leiden programmeert geen blockbusters meer. De kosten voor de verzekering van de kunstwerken bij dit soort grote publiekstrekkers rijzen de pan uit, om nog maar te zwijgen over alle eisen van de bruikleengevers. Het is bovendien niet duurzaam, schrijft directeur Meta Knol in een opinie-artikel voor NRC.

Museum De Lakenhal sloot op 9 februari de blockbuster ‘Jonge Rembrandt’ af, de laatste grote expositie in het Rembrandtjaar, waarin de 350ste sterftedag van de schilder werd herdacht. „De expositie Jonge Rembrandt was de laatste publiekstrekker in Museum De Lakenhal”, aldus Knol, die voortaan meer aandacht wil geven aan „lokale verhalen met een universele zeggingskracht”.

Jonge Rembrandt trok volgens Knol „niet genoeg” en tegelijk „wel heel veel bezoekers”. Niet genoeg omdat de verzekering en behandeling van de werken veel geld kostten. „Op een totale begroting van 1,2 miljoen euro geven we ongeveer een kwart uit aan verzekeringen.” Het museum voelde zich daarom genoodzaakt een extra toeslag van 7,50 euro per toegangskaart te heffen.

Tegelijk, schrijft Knol, waren er zoveel kijkers dat „het op sommige dagen niet goed mogelijk was de tentoonstelling te bekijken”.

Meta Knol is niet de eerste museumdirecteur die zich uitspreekt tegen de hoge verzekeringskosten. In 2015 beklaagde toenmalige Rijksmuseum-directeur Wim Pijbes zich over de hoge kosten voor de tentoonstelling ‘Late Rembrandt’. In Engeland, zo zei hij, kon de National Gallery daarvoor een beroep doen op de Britse staatsgarantie voor kunst.

Voormalig Mauritshuis-directeur Emilie Gordenker wees er eerder al op dat grote blockbusters de museumorganisaties ook uitputten.

Publiekstrekker Opinie, pagina 4-5