Opinie

Hoe scheid je feiten van meningen in een ideologische overstuurde tijd?

De ombudsman

Hoe bewaakt de krant de grens tussen feit en opinie? Je hoort wel eens beweren: nou, niet. Alles zou tegenwoordig maar door elkaar lopen in de kolommen: voorkeuren, wensen, meningen.

Dat de ambachtelijke werkelijkheid anders is, blijkt uit de consciëntieuze, soms bijna scholastieke manier waarop op de redactie over bepaalde zinsneden wordt gesproken, voor en na publicatie. Dat laat ook meteen zien met welke ambachtelijke én maatschappelijke dilemma’s journalisten worstelen: in hoeverre moeten ze zich uitspreken?

Een voorbeeld. Enkele lezers namen aanstoot aan de uitsmijter van een stuk van een economie-redacteur in NRC Weekend over de klimaatwens vliegverkeer te verminderen, onder de kop De vliegende burger heeft een zetje nodig om te minderen. Dat was ook de conclusie van de auteur: „Als de overheid de klimaatschade door vliegen wil beperken, moeten reizigers een beetje worden gestuurd [..] Het is niet anders. De burger heeft een zetje nodig.”

Het is niet anders? Gaat een NRC-redacteur ons nu even vertellen dat we een zetje nodig hebben? Of een „duwtje”, zoals de WRR al eens vaststelde? Dat was te opiniërend, vonden die lezers – en ook de hoofdredacteur, die er met de auteur over sprak. Diens verweer: mij was een „essay” gevraagd dat licht opiniërend mocht zijn – zoals redacteuren die wel vaker schrijven. Probleem: ‘essay’ of ‘analyse’ stond er niet boven.

Nu kun je de apodictische vaststelling dat „het niet anders is”, lezen als de voorkeur van de auteur, maar ook als zijn gevolgtrekking uit de wensen van het kabinet: gegeven die plannen, krijg je onvermijdelijk dit: een duwtje.

Maar toch: ook ik bleef haken aan die slotzinnen, ook al omdat de krant ons de laatste jaren wel vaker vertelt hoe we moeten leven (groen en duurzaam). Is dat de taak van verslaggevers?

Simpelweg het etiket ‘essay’ boven een stuk plaatsen, verhelpt dat niet. Kortom, ik ondersteun graag het streven van de hoofdredacteur om de grens tussen feiten en opinie scherp te bewaken; het journalistieke gezag van de krant hangt ermee samen. Dat betekent ook een grotere nadruk op helderheid in de presentatie van journalistieke genres: reportage, analyse en opinie.

Nog een voorbeeld, op woordniveau. Op de redactie ontstond discussie of de conclusie over het veel bekritiseerde vredesplan voor Israël-Palestina van Trump kon luiden dat dit niet bedoeld „is” dan wel „lijkt” om daadwerkelijk vrede tot stand te brengen. Aan de ene kant, was het idee, moeten journalisten conclusies durven trekken en zich niet verschuilen achter slappe woorden als ‘lijkt’ (mij is ooit ook nog afgeleerd ‘lijken’ en ‘willen’ in koppen te gebruiken, onder het wereldwijze motto ‘willen kunnen we allemaal wel’). Anderzijds, aldus de hoofdredactie, betrof het hier geen feit maar een interpretatie: zo komt het plan over. Hoe het bedoeld is, in de krochten van Trumps brein, weten we niet.

Inderdaad, met de pretentie zeker te weten dat een plan, idee of voorstel diametraal anders bedoeld is dan hoe het wordt gepresenteerd, ben je al snel halverwege helderziendheid, complottheorie of beide – zie de paranormale EU-inzichten van het medium Baudet. Trouwens, op een ander front horen we van antiracisme-activisten dat intenties er niet toe doen, het gaat om effecten.

Maar nu de bedenkingen. Want simpel is het niet, om feiten uit de mond van journalisten weer ‘gewoon’ van meningen te scheiden. Er zijn factoren die precies de andere kant op werken. Van journalisten wordt steeds meer verwacht dat ze transparant zijn over hun positie, zich uitspreken of stelling nemen en zich niet ‘verschuilen’ achter ‘schijn-neutraliteit’. Wie alleen maar braafjes noteert wat bijvoorbeeld Wilders of Baudet beweert, werkt mee aan het normaliseren van extreemrechts, aldus de kritiek. Daarnaast zijn journalisten, gestimuleerd door hun bedrijven, allengs meer individuele ‘merken’ geworden, die de lezer kan volgen, zien en soms ontmoeten – en die dus ook niet schromen hun eigen mening te geven. Zie de onstuitbare proliferatie van columnisten.

Daar komt nog iets omineus bij, namelijk de sterke ideologisering van het publieke discours zelf. In alternatief-rechtse kring is een informatie-ecosysteem gegroeid waarin alternatieve feiten en dubbele bodems regeren: een online cultuur van ironie, ‘hondenfluitjes’, trollen en memes die aan ‘normies’ (het klootjesvolk) voorbijgaan, maar door ingewijden meteen worden opgepikt. Achter de dagkoersen van #ophef schuilt een consistente ideologie.

Alleen is dat een postmodern universum waar het vertrouwde modernisme van de journalistiek, getrokken door het afgepeigerde span Feit & Opinie, slecht op is toegesneden; factchecks helpen niet tegen wereldbeelden.

Wat dan wel? Allereerst: het besef dat objectiviteit, dat gesmade begrip waar mediawijs Nederland zijn neus voor ophaalt, helemaal niet de pretentie is te beschikken over een onmenselijk ‘neutrale’ blik. Objectiviteit is geen dogma, maar een prudente methode: geverifieerde feiten vooropstellen.

Ten tweede: maak – zeker ook online – weer helder onderscheid tussen verslaggeving, analyse en opinie. Niet alleen in presentatie natuurlijk, maar ook in inhoud.

Ten derde: factchecks mogen dan niet helpen tegen wereldbeelden, ze helpen lezers wel hun mening te vormen. Dat houdt ook in: scherpe discours-analyse (zoals van die online wereld), bronnenonderzoek en historiserende duiding. Waarbij geen blad voor de mond wordt genomen, of het nu gaat om radicale imams of proto-fascistische ‘omvolkings’-theorieën. En: op basis van de feiten.

Alleen al omdat, zeg ik als scepticus, in deze wereld maar weinig is wat het lijkt.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.