Opinie

Wij zijn een totaal mislukte diersoort

Homo sapiens De gemankeerde heersers van de wereld hebben behoefte aan ‘herstelverhalen’, denkt .
Illustratie Cyprian Koscielniak

Het gesprek dat Adriaan van Dis en Yuval Noah Harari eerder deze maand voerden bij De Wereld Draait Door heeft mij die nacht wakker gehouden. Weer bekroop mij, net als bij het lezen van Harari’s boeken, Sapiens, Homo Deus en 21 lessen voor de 21ste eeuw, een schurend gevoel van schaamte. Schaamte omdat wij, homo sapiens, ofwel de van de mensapen afstammende, rechtop lopende mensensoort, daarin worden omschreven als een creatuur dat overal waar het een voet op de planeet neerzet een spoor van vernieling achterlaat: de natuurlijke omgeving wordt geëxploiteerd en onomkeerbare schade berokkend, dieren worden geknecht of uitgemoord, en maar al te vaak worden leden van de eigen soort een kop kleiner gemaakt.

Dat weten we natuurlijk wel, de media houden niet op ons daarmee te confronteren. Maar het trof mij toch hard te lezen dat de ontmoeting tussen sapiens en neanderthalers heel goed ontaard kan zijn in de eerste etnische zuiveringscampagne uit de geschiedenis.

Beslissend voor de evolutie van sapiens, die agressieve, seksbeluste ‘naakte aap’, zoals de beroemde zoöloog Desmond Morris ons ooit omschreef, was het moment waarop hun ongewoon grote hersenen de mogelijkheden van het vuur ontdekten. „Toen de mensen het vuur gingen beheersen,” schrijft Harari in Sapiens, „kregen ze de beheersing over een gehoorzame en potentieel onbegrensde kracht. (...) Eén vrouw met een vuursteen of vuurstok kon in een paar uur tijd een compleet bos platbranden. De beheersing van het vuur was een voorteken van alles wat nog komen zou.”

Ik dacht aan de vuren die de laatste weken in de aandacht hebben gestaan: de ovens van Auschwitz, de klimaatvuren van Australië en de vele eeuwenoude bomen en unieke diersoorten die daarbij voorgoed zijn verdwenen. Ik dacht ook aan For Sama, de verbijsterende documentaire die de niets en niemand ontziende bombardementen op Aleppo laat zien, een hel van vuur, verwoesting en dood, van binnenuit gefilmd door een jonge moeder. En eens te meer fluisterde een diepe schaamte mij in dat wij eigenlijk een totaal mislukte diersoort zijn.

Maar wat moet je met dat soort schaamtes? Makkelijke vluchtroutes zijn het, die doodlopen in doemscenario’s. Weliswaar geeft onze tijd niet veel aanleiding om op onze goede inborst te roffelen, maar daar staat tegenover dat honger, epidemieën en oorlog door de geschiedenis heen steeds minder voorkomen.

Taalvermogen

Terecht zegt Harari dat dit prestaties zijn waar we niet onze schouders over moeten ophalen, maar juist hoop aan kunnen ontlenen. Die prestaties danken wij aan een machtig en uniek vermogen dat ons onderscheidt van alle andere dieren: het vermogen om met taal informatie over te brengen over dingen die helemaal niet bestaan. „Voor zover wij weten,” schrijft hij, „kunnen alleen sapiens praten over allerlei soorten entiteiten die ze nog nooit hebben gezien, aangeraakt of geroken.” Sapiens hebben, anders gezegd, verbeelding.

Verbeelding, het vermogen om verzinsels als reëel voor te stellen, is een sterk verbindende kracht gebleken. Zo schetst Harari hoe door het uitwisselen van verbeeldingsrijke verhalen gezamenlijke mythes ontstonden, die geloofwaardiger werden naarmate meer mensen ze als waar aannamen. Het collectieve geloven in mythes leidde tot samenwerkingsverbanden die een grote mate van flexibiliteit vertoonden doordat ook andere ‘gelovigen’ dan die van de eigen stam of groep er aansluiting bij vonden. Een fenomeen dat verder in het dierenrijk niet of nauwelijks voorkomt, zeker niet op grote schaal.

Samen met mythevorming bleek die flexibiliteit een fenomenale kracht te zijn die het sapiens mogelijk maakte om in grote groepen te opereren, uitgebreide samenlevingsvormen te ontwikkelen en normerende religies te creëren. Maar, en dat is de andere kant, ook om legers samen te stellen, andere groepen uit te moorden en gebieden in beslag te nemen die tot dat moment aan iedereen en niemand toebehoorden.

En nu is het dan zo ver dat wij ons met bijzonder weinig terughoudendheid ‘heersers van de wereld’ noemen.

Wij.

Want niet alleen politieke, economische en hightech machthebbers koesteren dat vleiende zelfbeeld. Google maar ‘we rule the world’ en je ziet dat dit in de popmuziek een mantra is geworden. Of lees de toelichting bij een Humanities-cursus aan de Universiteit Leiden in 2015 met de pertinente titel Why we rule the world, and how: „Wij ‘heersen over de wereld’ doordat wij de werkelijkheid zo ombuigen dat hij overeenkomt met modellen en normen, regels en regelingen. Dit geldt voor menselijk gedrag, diensten, producten, personen, dieren, planten en vele andere aspecten van de sociale en fysieke werkelijkheid.”

Lees ook: Elke soort kan uitsterven – de mens dus ook

Mythe van maakbaarheid

Heersen en controleren. Dat is de drijfveer van vrijwel alle wetenschappelijke en (bio)technologische onderzoeken en experimenten. En het onderliggende geloof is steeds gebaseerd op dezelfde mythe, de mythe dat op termijn alles maakbaar is. De mens incluis.

In Homo Deus oppert Harari dat de goddelijke kracht die de mens zichzelf toeschrijft, hem ook wel eens fataal zou kunnen worden. Wie vreest dat stiekem niet? In ieder geval frommelen we de angst voor de catastrofale gevolgen van onze exploitatie van natuur, dieren en aarde zoveel mogelijk weg.

Zoals we ook wegduiken voor de zeer reële mogelijkheid dat algoritmes en artificiële intelligentie onze gedragingen en impulsen zo gaan manipuleren en ombuigen dat ze overeenkomen met ‘modellen en normen, regels en regelingen’ die alleen voor een zeer kleine groep economische machthebbers profijtelijk zijn. Waarbij het maar de vraag is of deze zelfbenoemde ‘meesters van het universum’ uiteindelijk niet, net als in het oude verhaal van de overmoedige tovenaarsleerling, overweldigd zullen worden door hun eigen technologische machtsmiddelen.

Kunnen we daar nog wel, zoals Harari bepleit, „een boodschap van hoop en verantwoordelijkheid” tegenover stellen? Ja, zegt de Britse denker, zoöloog en activist George Monbiot. Maar dan moeten we wel met andere verhalen komen dan de gangbare lofzangen op individualisme en onderlinge concurrentie, van ‘ieder voor zich’ en hebzucht als deugd. Die ontketenen juist onze gewelddaddige, intolerante krachten.

Wat we nu dringend nodig hebben zijn wat hij ‘herstelverhalen’ noemt. Verhalen die overtuigend naar voren brengen wat wij ook en vooral zijn: wezens die in staat zijn tot altruïsme, samenwerking en wederzijdse hulp. Want precies dat zijn de krachten die ons altijd geholpen hebben te overleven. Zonder machtige, nieuwe herstelverhalen kan volgens Monbiot de hoogst noodzakelijke politieke en religieuze transformatie niet plaats vinden en loopt alles vast. Met alle catastrofes van dien.

De verbeelding dus, als ons enige en essentiële redmiddel. Alleen de verbeelding stelt ons in staat om nieuwe, overtuigende herstelverhalen te bedenken en uit te dragen. Monbiot geeft ons daarbij alvast een opbeurende boodschap mee: „De mens is spectaculair empathisch en altruïstisch, als de omstandigheden dat toelaten. Het is een aangeboren neiging, sterker dan het verlangen naar macht en rijkdom. We hoeven de menselijke natuur niet te veranderen. We moeten haar alleen bloot leggen.”

Op naar de herstelverhalen!

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.