Opinie

Vaderlandse geschiedenis afschaffen? Niet doen, Leiden

De Universiteit Leiden wil de naam van de oudste Nederlandse leerstoel geschiedenis veranderen. Dat miskent de huidige behoefte aan nationale verbinding, schrijft .
Handtekeningen op de muur in het beroemde Zweetkamertje van de Universiteit Leiden.
Handtekeningen op de muur in het beroemde Zweetkamertje van de Universiteit Leiden. Foto Martijn Beekman/ANP

Als het aan de Universiteit Leiden ligt verandert de naam van de studierichting Vaderlandse Geschiedenis binnenkort in Nederlandse Geschiedenis. ‘Vaderlandse’ zou een verkeerde indruk maken, te veel tegen het nationalisme aan schuren. Nu verandert alleen nog het vak van naam, maar voor de hele leerstoel is het een kwestie van tijd, stelt leerstoelhouder Henk te Velde. Komt er na anderhalve eeuw dan echt een einde aan de sectie Vaderlandse Geschiedenis?

In 1860 werd er voor het eerst in Nederland een hoogleraar geschiedenis benoemd. Robert Fruin kreeg de taak mee de liefde voor de Nederlandse geschiedenis te bevorderen, conform de nationalistische tijdgeest in de tweede helft van de negentiende eeuw. De leerstoel is zelf dus al een stuk geschiedenis. Het is een traditie waar Leiden terecht mee pronkt, en straalt een dusdanig prestige uit dat de hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis als meest prominente historicus van het land wordt beschouwd.

Maar er trekt een culturele beeldenstorm door onze taal, tradities en geschiedenis. Het is in de mode om met een morele, activistische blik naar het verleden te kijken. En alles wat toen anders was, vervolgens aan de hand van die moderne maatstaven te beoordelen.

De sloophamer gaat door de geschiedenis heen: ze moet herschreven worden om voldoende ‘inclusief’ te blijven. Dat is de brede trend waarbinnen ook deze naamswijziging valt. Het is een soort schaamte om te erkennen dat ‘Nederland’ ons ‘vaderland’ is.

Uit de tijd?

De inhoud van de studie blijft onveranderd. De naamswijziging kan dan ook niet anders dan puur ideologisch gemotiveerd zijn, ook al zegt Te Velde tegen het Leidse universiteitsblad Mare: „Het is een zakelijke verandering, er zit geen duidelijke politieke agenda achter. De naam is allang uit de tijd, maar toch al die tijd gehandhaafd.”

In de term ‘Vaderlandse Geschiedenis’ ligt een eigen verhaal besloten. Het doet ons nadenken over onze relatie tot de geschiedenis. We zijn er niet van gescheiden, integendeel, we zijn er het product van. We bestuderen de tijd van onze ‘vaders’. En dat maakt het heel anders dan Indiase of Franse geschiedenis. Dan bestuderen we andermans verleden.

Geschiedenis staat niet op zichzelf, maar kent een wisselwerking met de samenleving. En juist nu, wellicht meer dan ooit, is een gedeeld verhaal onmisbaar. We dreigen uiteen te vallen in een verweesde massa individuen zonder doel of lotsbesef. De Franse denker Ernest Renan was al in 1882 doordrongen van de waarde van geschiedenis voor een samenleving. In zijn beroemde lezing ‘Wat is een natie?’ stelde Renan dat de kern erin lag samen terug te kunnen kijken op een gedeeld verleden, en bereid te zijn samen aan de toekomst te bouwen. De natie is daarmee een flexibele gemeenschap, maar net als iedere gemeenschap heeft ze wel begrenzing nodig.

De term ‘Vaderlandse Geschiedenis’ is dus niet alleen uit traditioneel, maar ook sociologisch oogpunt een betere belichaming dan de term ‘Nederlandse geschiedenis’. Het geografische ‘Nederland’ is ook te nauw als we meer aandacht willen voor de Indische geschiedenis, of de tijd van de Bourgondische hertogen vanaf de veertiende eeuw.

Geen neutrale verhouding tot verleden

„Ooit werd vaderlandse geschiedenis geïntroduceerd door een zelfbewuste burgerlijke elite”, schreef Jan Bank, de vorige hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis, eind vorige eeuw in NRC. „Dit zelfbewustzijn – dat wil zeggen: het geloof in de waarde van de nationale cultuur – is nodig om de vaderlandse geschiedenis in enigerlei vorm te behouden, in de maatschappij en in de Tweede Kamer.” (In 1996 bleek dat Tweede Kamerleden weinig kennis hadden van de eigen geschiedenis.)

Lees Jan Banks artikel uit 1997: „Het vaderland raakte uit in de jaren zestig. De samenleving werd in bevonden. De geschiedenis verloor het tijdelijk van de sociale wetenschappen. Aan de universiteiten werd de vaderlandse geschiedenis omgedoopt tot Nederlandse geschiedenis, behalve in Leiden.”

De term ‘vaderland’ is minder begrensd, en nodigt daardoor uit tot discussie. In de eerste plaats over geschiedschrijving zelf. Geschiedenis gaat niet slechts over de feiten, maar vooral over hoe we die interpreteren. Het gaat om het verhaal, een narratief waaraan we gebeurtenissen kunnen ophangen. Des te meer als we de tijd van onze voorvaderen onderzoeken. Het raakt ook aan het romantische idee dat niemand aan zijn eigen tijd kan ontsnappen. Als we ons richten op die geschiedenis, bestuderen we eigenlijk onszelf. Is de term ‘vaderland’ niet een erkenning dat we ons nooit echt neutraal tot ons verleden kunnen verhouden?

Robert Fruin, pionier in de Nederlandse geschiedschrijving, draait zich om in zijn graf. Zijn erfenis staat nu ter discussie. Dat moeten we niet willen. Juist nu de SP en het CDA het oude plan voor een Nationaal Historisch Museum afgestoft hebben, zou de Universiteit Leiden afrekenen met dat ‘nationale’. In een tijd waarin er een prangende behoefte is aan een gedeeld verhaal. Durf trots te zijn op die eigenzinnige term die meer dan anderhalve eeuw heeft standgehouden: het vaderland.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.