Simon Coencas (1927-2020) zocht een schat en vond Lascaux

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden.

Simon Coencas (1927-2020) ontdekte met drie anderen de prehistorische grotten van Lascaux.

Simon Coencas in 2016. Links: replica van een prehistorische muurschildering uit Lascaux.

Simon Coencas in 2016. Links: replica van een prehistorische muurschildering uit Lascaux.

Foto Joel Saget

Tot zijn dood bleef Simon Coencaаs (93) zijn bijzondere ontdekking memoreren. Aan iedereen die het wilde horen, vertelde hij het verhaal. Hoe hij en zijn vrienden in de zomer van 1940 een grottencomplex vonden in de bossen van Lascaux, bij Montignac. En het was al een bijzondere tijd, die hij als dertienjarige doorbracht bij zijn grootouders in de Dordogne.

Zijn ouders, Joods-Griekse migranten uit Parijs, waren een jaar tevoren met hun vijf kinderen naar het platteland gevlucht, toen Frankrijk de oorlog verklaarde aan nazi-Duitsland. In het dorp raakte de jonge Simon bevriend met twee jongens uit de buurt. „We waren onafscheidelijk”, zou hij later zeggen over Jacques Marsal en Georges Agniel.

Op de dag van de ontdekking keert het drietal huiswaarts na een bezoek aan een boerderij in de buurt, waar vluchtelingen uit Lotharingen zijn ondergebracht. Onderweg komen ze Marcel Ravidat tegen, een achttienjarige jongen uit de buurt. Ravidat vertelt hoe hij een tunnel heeft ontdekt in het bos van Lascaux. Zijn hond Robot had een konijn achterna gezeten, dat in een gat was verdwenen onder een omgewaaide boom. Met steentjes had hij het beest eruit proberen te jagen. Het konijn kwam niet meer tevoorschijn en de steentjes vielen zo’n eind naar beneden dat hij vermoedde op iets bijzonders te zijn gestuit. Hij hoopte een geheime ingang te hebben gevonden van een ondergrondse tunnel naar het nabijgelegen kasteel van Montignac.

Coencas, de jongste van het stel, en zijn vrienden volgen Ravidat naar de plaats van het gat. Met een mes slagen ze erin het gat groter te maken, waarna Ravidat zich als eerste naar binnen wurmt. Schuifelend op hun buik komen ze in een gangenstelsel terecht waar ze op de muren vreemde dierenfiguren ontwaren, geschilderd in oker, rood en zwart. Een stukje verderop belanden ze in een grote ruimte, die later bekend zou worden als de Zaal van de Stieren. „We hoopten een schat te vinden, maar zoiets groots hadden we niet verwacht”, zou Coencas vele jaren later vertellen. „Het was een wonder. Zo groot, zo indrukwekkend, we waren er helemaal van in de war.”

Een paar dagen lang verkennen de jongens in het geheim de grot, tot Agniel zijn leraar inlicht over de vondst, die op zijn beurt de Franse pater Breuil inseint. Breuil is een specialist op het gebied van prehistorische grotten en stelt vast dat de tekeningen 15.000 jaar geleden moeten zijn gemaakt. Het nieuws van de grotten, die algauw de bijnaam ‘Sixtijnse kapel van de prehistorie’ krijgen, gaat als een lopend vuurtje de wereld over.

Coencas staat op geen van de zwartwit foto’s die vlak na de ontdekking zijn gemaakt. Nog diezelfde maand keerde hij met zijn ouders en vier broers en zussen terug naar de inmiddels door de Duitsers bezette Franse hoofdstad. Daar vervaagde al snel de herinnering aan die bijzondere dag in de bossen van Lascaux.

Zijn Griekse vader was een joodse koopman uit Saloniki en in Parijs de trotse eigenaar van vijf kledingzaken. In een interview uit 2009 met het Amerikaanse Holocaust Memorial Museum vertelt de dan 82-jarige Simon Coencas met krakende stem over zijn oorlogsjaren. Hoe hij in eerste instantie weinig meekrijgt van het oprukkende nazisme. Pas wanneer hij een gele ster moet dragen en niet meer naar de bioscoop mag, wordt hij zich van de dreiging bewust.

Maar de familie vlucht niet, zijn vader weigert zijn winkels in de steek te laten. Hij zal worden verraden door een van zijn naaste medewerkers. Wanneer de vijftienjarige Coencas zijn vader gaat zoeken, wordt hij zelf gearresteerd en samen met een groep kinderen in het Parijse concentratiekamp Drancy opgesloten. Coencas komt als minderjarige na een maand vrij en duikt onder. Zijn ouders worden gedeporteerd, hij zou ze nooit meer terugzien.

Na de oorlog vindt hij werk als schroothandelaar. Uiteindelijk zal hij zijn geld uitstekend investeren in onroerend goed.

Het grottencomplex dat Coencas en zijn kameraden ontdekten, groeide na de oorlog uit tot een publiekstrekker. Maar liefst zesduizend figuren bevat het complex: taferelen van jagers, herten, stieren, een beer en zelfs een neushoorn.

De toeloop was enorm en de uitwaseming van al die bezoekers veroorzaakte schimmels die de tekeningen aantastten. In 1963 werden de grotten gesloten. Er kwam een replica, Lascaux II, die twintig jaar later werd geopend. Pas daar, in 1986, zou Simon Coencas zijn oude kameraden uit Montignac weerzien, allemaal getekend door de oorlog die volgde op hun ontdekking. De vier ontvangen de Franse ridderorde.

Coencas overleed begin deze maand als laatste van de vier. Tot zijn dood zou hij de grotten ieder jaar bezoeken, soms samen met een Franse president. Maar de originele tekeningen zou ook Coencas nooit meer aanschouwen.