Bekijk op welke daken in Nederland er zonnepanelen liggen

Stroomproductie De populariteit van zonnepanelen is de laatste jaren enorm gegroeid. Maar op de meeste woningen ontbreken ze. Vaak zijn dat huurhuizen of appartementsgebouwen.

Stap eens in een helikopter en vlieg naar de Rotterdamse Kop van Zuid. Kijk goed naar de daken in de omgeving. Vlieg een stukje naar het westen, naar Katendrecht. En kijk nog eens.

Vlieg daarna naar het zuidoosten, naar Eindhoven. Cirkel over Tivoli en de naastgelegen Sintenbuurt.

Klik op afbeelding voor de mobiele versie van de kaart

Wat valt op tijdens deze reis, die natuurlijk ook met Google Maps uitgevoerd kan worden? In Rotterdam zijn de daken plat, en in Eindhoven schuin. Maar dat is niet het belangrijkste. Het gaat om wat er óp de daken ligt. Zonnepanelen. Of juist niet.

Zonlicht wordt steeds belangrijker als bron van hernieuwbare energie. Particulieren spelen hierbij een belangrijke rol. Zij kunnen panelen op hun dak plaatsen, en zo behalve consument ook producent van elektriciteit worden. En dat gebeurt in razend tempo. In 2012 produceerden Nederlandse huishoudens nog 182.000 kilowattuur aan elektriciteit met hun panelen. In 2018 was dat meer dan twaalf keer zoveel. En er is nog heel veel ruimte over.

Want het overgrote deel van de Nederlandse woonhuizen heeft géén zonnepanelen, terwijl dat makkelijk zou kunnen. Hoe is dat te verklaren?

NRC heeft onderzocht op welke plekken mensen zonnepanelen hebben geplaatst. Dat kan dankzij databestanden van de beheerders van de elektriciteits- en aardgasnetten, die jaarlijks verbruiksgegevens van hun klanten publiceren. Daarmee is nauwkeurig in kaart te brengen op welke daken panelen liggen. En in welke straten mensen veel of juist weinig energie gebruiken. Dat kan tot op het huizenblok precies.

Baas van eigen dak

Terug naar de huizenblokken van Katendrecht en de Kop van Zuid, een gebied in Rotterdam dat sinds de jaren negentig in ontwikkeling is. Een aanzienlijk deel van de woningen daar is de laatste twintig jaar gebouwd. Bijna alle daken zijn plat, wat ze bij uitstek geschikt maakt voor zonnepanelen. Toch zijn er maar heel weinig huizenblokken waar panelen liggen.

In dit deel van Rotterdam is er één onderscheidende factor tussen de huizen met en zonder: waar panelen liggen, zijn de bewoners baas van hun eigen dak. Ze zijn eigenaar van een eengezinswoning, die zonder overleg op hun dak kunnen monteren wat ze willen – binnen wettelijke grenzen uiteraard. Op appartementsgebouwen zijn de daken leeg.

Dit toont een belangrijk struikelblok voor verdere verspreiding van zonnepanelen. De daken van appartementsgebouwen zijn veelal plat, dus zeer paneelvriendelijk, en toch zijn ze grotendeels leeg. Bij koopappartementen heeft dat ten minste één belangrijke reden: gedoe.

Bij alles wat appartementsbewoners aan hun gebouw willen veranderen, is instemming nodig van de andere eigenaren. Er moet dus draagvlak zijn, en er moet over vergaderd worden. En als iedereen het al eens is, komt ook nog de vraag: op welke manier sluiten we de installatie aan?

Bij een eengezinswoning is dat simpel: de installatie op het dak is gekoppeld aan de meterkast. En als de panelen op een zonnige middag meer stroom produceren dan het huishouden verbruikt, dan levert de installatie stroom aan het net. De meter draait dan ‘terug’ en het huishouden verdient geld aan de geleverde stroom.

Maar bij een flatgebouw kan het technisch ingewikkeld zijn om de installatie op deze manier aan te sluiten – al is het zeker niet onmogelijk. Er zijn ook nog afspraken nodig over wie welk deel van de zonnepanelen heeft, of de paneeleigenaren een vergoeding voor het dakgebruik moeten betalen, enzovoorts.

Een alternatief is de installatie te koppelen aan de algemene elektriciteitsaansluiting van het gebouw, waarop bijvoorbeeld de liften en de verlichting in het trappenhuis werken. En dan zijn er nog oplossingen als de energiecoöperatie en de postcoderoos – een gebied van aaneengesloten postcodes waarin mensen zich bij een initiatief kunnen aansluiten. Al die keuzes en afwegingen maken het in de praktijk kennelijk lastig voor appartementseigenaren om voor zonnepanelen te kiezen.

Woningcorporatie

Er zijn ook hele buurten en wijken met eengezinswoningen waar geen panelen liggen. Dat was de reden voor de helikoptervlucht naar Eindhoven. Daar, in de buurt Tivoli, staan kleine eengezinswoningen uit de jaren 20 en 30. Slechts een vijfde van de woningen is een appartement, en toch heeft geen enkel dak zonnepanelen.

Een klein stukje verderop ligt de Sintenbuurt. Ook daar is ongeveer 80 procent van de huizen een eengezinswoning. De huizen zijn wat nieuwer, maar verder verschilt de buurt niet veel van Tivoli. En toch liggen hier wel zonnepanelen. Niet heel veel, maar ze zijn er.

Het verschil tussen deze wijken is de eigendom. In Tivoli zijn bijna alle huizen (92 procent) van een woningcorporatie. In de Sintenbuurt geldt dat maar voor een derde van de woningen. De helft is eigendom van de bewoner, de rest wordt van een particulier gehuurd.

Ook hier draait het dus, net als in Rotterdam, om de zeggenschap over het dak. Wie een huis huurt, mag niet zomaar iets op zijn dak zetten. Dat moet in overleg met de verhuurder. Maar die heeft niet per se voordeel als de huurder zonnepanelen wil, omdat het niet zíjn meter is die terugdraait als de zon schijnt, maar die van de bewoner. En als de verhuurder ze plaatst en er eigenaar van wordt, heeft de bewoner er geen voordeel van.

Dit probleem doet zich niet alleen voor bij wijken met corporatiewoningen. Neem de Eindhovense buurt Woenselse Watermolen. Ook daar zijn niet of nauwelijks zonnepanelen. Er staan zowel eengezinswoningen (een op de drie) als appartementen. Bijna alle huizen zijn van een particuliere verhuurder.

Het aantal zonnepanelen is de laatste jaren vooral gegroeid in wijken met veel eengezinswoningen. Ook nu nog is daar veel groei te bereiken, omdat lang niet alle eengezinswoningen panelen hebben. Panelen stimuleren op appartementen en huurwoningen kan de groei nog versnellen.